ingespannen of 'r niemand naar boven kwam. ’t Was doodstil in 't trappenhuis, 'r bewoog niets.
„Afgeloopen”, dacht-ie tam-rustig. Voor ’t laatst keek-ie om, Van 't lichaam van Semmy Lubinsky bij ’t achterste raam was door den lessenaar van Nathan Stief niets te zien. 'r Leek niets gebeurd — 'r wàs niets gebeurd. 't Eenige dat je opviel, voor *t allereerst opviel, was de bij de worsteling opengeklepte portefeuille met banknoten op de schrijfmap van den boekhouder, 'n Stapeltje grijs-blauwe biljetten lei tot aan de benedenste glooiing vergleden. Dezelfde zonderlinge aandrift, die 'm pas had doen ruimen, drong 'm nog even de ziekelijke aarzeling op, de portefeuille te sluiten — toen stapte-ie de gang in, waar-ie voor ruim 'n uur nerveus had loopen wachten. Zachtjes, zonder geruisch, trachtte-ie de ijzeren deur achter zich dicht te trekken — lukte niet — lukte niet dadelijk. En nog terwijl-ie 'r mee bezig was, hoorde-ie iemand, iemand die lenig treden bij treden tegelijk besprong.
Weer 't kantoor in te gaan en de deur aan de binnenzij te sluiten, durfde, kon-ie niet meer. Met 'n krankzinnige, zenuw-dolle snelheid, wipte-ie de wenteltrap naar vier-hoog op, luisterde, loerde met 'n hart, dat pijn dee van ’t kloppen. De man, die naar boven gekomen was, schelde bij Semmy Lubinsky & Co. aan, duwde de deur open, bleef binnen.
En lang voor-ie weer buiten was, hijgend, buiten adem, maar zich door z’n kalm aanstappen van geen voorbijganger onderscheidend, wandelde Erich Schüler in de schaduwstrook van de huizen.
Achter 't hekje in 't kantoor, zei Arthur Fritz Ginzel van 't „Atelier voor moderne haarwerken" ’n paar malen bescheidenlijk „Hum-hum!”, om de attentie te trekken—toen, omdat-ieniemand zag, hield-ie zich aan de ouwe gewoonte en liep den zolder op, waar-ie 't vlindertje met de vernielde vlerk van den grond opnam. Jammer!...
VIII.
De eene sigaret na de andere rookend, ging-ie veerkrachtig, niet haperend, zonder 'n omweg op ’t doel, de woning van Laurie, af. Hij moest Duczi zien, 'r spreken, dadelijk, zonder uitstel. Hij zou ’r vragen de trapmachine, de blouses, voor vanmiddag in den steek te laten, met 'm naar Wannsee, Onkel
205