verwaarloozend overleg, zich telkens 't gezicht met den natten zakdoek drogend, onwezenlijk van kalmte, of 't zoo moest, of-ie niet anders kon, of 'n ander achter, naast, in 'm, elk gebaar dicteerde, of 't on voorwaardelijk goed en uitnemend was, sloot-ie de deur op 't nachtslot, trapte den hinderlijken wekker naar den zolder, wiesch zich de handen onder *t fonteintje, en de bij 't gevecht vernielde doos Q u e e n s openrukkend, stak-ie 'n krom-gebogen sigaret op.
,/k Zal”, dacht~ie met dezelfde overspannen strakheid: „hier vandaan naar 't politiebureau gaan — ze zeggen wat r voorgevallen is — met Wanda Stief — met George, dien 'k door zoo’n ploert niet heb te laten beleedigen... In Godsnaam, ’k moest ’t doen... n Ander, Poldi, wie ook, zou *t zelfde hebben gedaan... 'k Zal ze zeggen...”
Voor de latten van de jalouzie, den rook rustig naar buiten blazend, zonder eenige opwinding naar 't sjouwen van werklui, die op de plaats bezig waren leege tonnen op vrachtkarren te stapelen, kijkend, formuleerde-ie de zinnen, zooals-ie ze spreken zou. Woord voor woord beitste in de klaarheid van z’n hoofd. Maar toen 'r iemand aan de ijzeren voordeur morrelde, herhaaldelijk belde en nog eens klopte, kromp-ie klein en willoos ineen. *t Ging niet, kon niet. 't Was waanzin, je aan handen en voeten gebonden over te leveren. Als-ie zich aangaf — hielden ze *m — kwam-ie niet los — was-ie verloren — zouen ze 't zelfde beweren, wat de ellendeling had beweerd: dat-ie bij ’t „Lombard-& Lagerhaus” in de schuld zat, dat-ie om ’t niet geprolongeerde accept... En de akte... En de dreigbrieven, die de afzetter geschreven had...
Nee. Hij moest tot bezinning komen...
Zich omkeerend lei-ie den handdoek van 't fonteintje over Semmy Lubinsky’s hoofd, en in 'n nieuwe koel-zekere, door niets te keeren opwelling, greep-ie den stapel accepten van ’t bureau met de ruïne papieren, scheurde ze bij dozijnen tegelijk stuk. Zonder bedoeling, door ’n vreemde kalmte gesuggereerd, niet aarzelend, maar ook niet met *t volle besef waarom-ie 't dee, stopte-ie de snippers in den vulkachel, streek 'n lucifer af, stak 'r den brand in. De walm sloeg terug. De pijp trok niet. Kwam 'r niet op aan. Hinderde niet. 't Was uitstekend, voortreffelijk...
Moe van hersens, uitgeput, de beenen moeilijk verzettend, bette-ie zich de slapen, en omdat-ie geen lust had over *t lichaam
203