Duczika

Titel
Duczika

Jaar
1912

Druk
1926

Overig
4ed

Pagina's
315



was getrokken, liep-ie de steenen treden rondom de lift af, en eerst benee, op den stoep, in de zengende warmte der zon, plonste ’t bewustzijn in ’m terug. Z’n stok, z’n beurs, de sardinebus, alles had-ie in de wilde herrie boven achtergelaten. En dan... En dan...

Door den dronken nevel, de troebele zwaarte van z’n hoofd, begon de werkelijkheid van ’t gebeurde — ’t naast de omgevallen stoelen liggen van ’n lichaam — ’t verwoeld stuiven van papieren — ’t gapen van ’n oog met vergroeide, wimperlooze leden en ’n glazig-puilenden appel — ’t rinkel-storten van den goud-spuwenden wekker — ’t licht-lijnen plassen van de jalouzie — aan te schimmen. Weer zonder ’r bij te denken, door dezelfde zonderling-onbewuste energie gedreven, onevenwichtig van besluit en toch met ’n rapheid, die ’m geen seconde dee aarzelen, holde-ie over de wenteltrap terug.

De nog aanstaande deur smeet-ie open, smeet-ie dicht, en in de beklemmende stilte van ’t kantoor en de zolders, waarin enkel ’t neergestort wekkertje schel-tikkend rumoerde, en de vlinder de zonnebaan door-klapwiekte, greep-ie den stok van uit den hoek bij ’t hek, de beurs van ’t betaalplankje, en als-ie de sardine-bus niet op ’t schrijfbureau had zien liggen, zou-ie van Semmy Lubinsky geen notitie hebben genomen.

’t Bloedend hoofd van den woekeraar met de grimmige wonden, waar de scherpe kant van de bus had gerammeid, ’t monster-hoofd met de uitwiggende paarse tong en de twee zichtbare oogen — ’t een gebroken, ’t ander purper kollend — gilgierde ’t onherstelbare op ’m toe.

„Sta op — laat ’k je helpen”, brabbelde-ie, en met ’n saterend-gek reflexgebaar, bestiet-ie den rug van den zich niet bewegende. Toen bukte-ie verwezen, raakte de pupil van ’t starende oog met ’n onwilligen vinger aan, betastte den pols, bevoelde de hartstreek met ’n gierig-vragende hand, en met ’n looden kram-ping in den nek opstommelend, week-ie tot bij ’t hek terug. Hij had 'm stellig en zeker, om ook maar niet even te twijfelen, met de hartstocht van z’n knuisten gedood, ’t Wond 'm niet op, sloeg ’m met geen deernis, verschrikte 'm niet — 't deed ’m inert, los-van-de-dingen, nââst de afschuwelijke realiteit, staren en suffen, ’t Beestige, afstootende, huiveringwekkende van de situatie begreep-ie eerst, toen de telefoonschel’m wakker striemde. Driemaal, lang-aanhoudend, ging de schel over — driemaal schokte, trilde-ie mee. En begon te leven. Verstandig, met niets

202

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.