de brandkast lagen, en met snerpende penkrassen vulde-ie 'n blanco-formulier in — zaak die-ie in geen jaren persoonlijk had waargenomen.
Geleund tegen ’t hekje, de beurs in de hand, om de rente voor de tweede maal uit te tellen, wachtte Erich Schüler. Z'n zakdoek bewoog werktuigelijk langs wangen en voorhoofd. Als 't nog langer geduurd had, zou-ie in mekaar zijn gezakt, ’t Was öf tropisch-heet öf de ingehouden drift en de zenuwspanning hadden m overstuur gemaakt. Zoo walgelijk spitsroeden-geloopen als vandaag had-ie hier nog nooit. Bah, wat voelde je 'n minachting voor jezelf, na zoo’n moreele executie...
De zon blakerde rechtstandig ’t kantoor in, glansgeulen borend tot bij de deur van den zolder. Ze dee de ballen van de copieer-pers met schamplachjes tintelen, ravotte met 'n stalen vouwbeen, joelde 'n kachelpoot uit z’n stofbuilen op, pijnigde de kasten en piano's van de opslagzolders, die soms door ’t werken van 't hout kraakten en knapten, of ze met beitels werden opengestoken.
„De vriend met wie *k was, kent dat meissie, waarmee u liep en waarvoor u zoo galant *n doos droeg”, praatte Semmy Lubinsky, 't formulier vloeiend en den inhoud met de loupe con-troleerend: „hoort u niet wat ik zeg?”
„Ja, zeker”, knikte Erich: „èn?”
„En niks...”, lachte de eenoog: „hoe oud is ze?”
't Vlamde in 't hoofd van den student, *n Vinnig-snauwend antwoord dat-’t-’m-geen-bliksem-anging drong ’m naar de lippen. Moeilijk, met 'n geforceerden, hinderlijken glimlach, zei-ie ontwijkend dat-ie 't niet wist, dat-ie zulke dingen niet vroeg.
„Ach!... Nog!”, gijnde de geldschieter, Erich den lessenaar van Stief aanwijzend, om 't accept te teekenen: „...hoe oud ze zijn is alles, alles... Jullie jonge jongens kent je geluk niet!... Jullie krijgt 't geschonken, wij motten 'r voor betalen... As je gisteravond bij mijn thuis was geweest, had je wat kennen beleven... *n Beeld van 'n meissie, om uit te teekenen, om te portretteeren, om te schilderen... Eerst wou ze wel — toen wou ze weer niet — toen weer wel... En toen ’t gebeurd was, ’n traantjes, 'n natte zakdoeken, tot 'r ’n pleister van 'n... — hoeveel zeg *k niet, nog! — weer in d'r humeur bracht... Nou, ken je je hand-teekening niemeer?... Wat kijk-ie?... Wat is d’r?...”
De penhouder zakte in Erich’s hand. ’t Zwakke, door geen bewijzen te stutten vermoeden — niets stelligs had Wanda in
197