Duczika

Titel
Duczika

Jaar
1912

Druk
1926

Overig
4ed

Pagina's
315



Semmy Lubinsky glee met 'n geschok van z’n schouders, of-ie *t geredeneer van den student als ’n ding van opperste verveling van zich af poogde te duwen, in den sloom-zwiependen kantoorstoel. Weer stak-ie 't vermummeld sigarenkauwsel, dat te nat was geworden om. te trekken, aan ’n nieuwen lucifer op, en terwijl, elke paar woorden met 'n zuigend gelurk onderbrekend, las-ie den zich gewonnen gevenden jongen man met ’n overvloed van hatelijkheden de les.

„Na me geld fluiten?... Of ik daar mee op schiet? Ziet u mijn voor ’n zuigeling an?... Al zeit uw oom honderdmaal nee, al leeft-ie unbeschrieje met z’n hartkwaal nog langer as Methusalem... Weet u hóé lang Methusalem leefde?... Weet u 't niet?”

„Nee, en ’t interesseert me niet!”, viel Erich geprikkeld uit

— zat 't gedrocht 'm 'r tusschen te nemen?...

„Al haalt-ie nog 'n eeuw meer as Methusalem: accept blijft accept, en as ’t binnen de tijd, die mijn lust — mijn! niet u!

— tot geen fatsoenlijke betaling komt, klaag ik u aan bij den officier van justitie...”

Met de gebalde vuisten in de zakken, den hoed nog altijd op ’t hoofd, keek Erich — 'n ander had ’m zoo moeten sarren!

— naar 't z’n sigaar bepruimend monstertje bij ’t ladenbureau. De platvoeten schommelden tegen den sport van den stoel, ’t Hoofd met ’t zwarte ooglapje en de striembandjes over ’t bleeke voorhoofd, week achter de spiralende tabakswalmen — de te breede schoeren leken ’r om heen te groeien. *n Kobolt kon ’r niet afstootender uitzien. Alles aan dien woekeraar was leelijk. ’t Gulle licht van de zon, ’t gouden gespartel van Nathan Stief’s wekker, ’t stoeiend schaterlachen van de loupe op de papieren, ’t teeder voltigeeren van ’t donswit vlindertje tegen de kartelschubben der doorzeefde stofruiten, schenen dingen van leven op ander plan, naast ’t spinrag-bestaan voor de loket-kastentafel.

„Sta je met ’n mond vol tanden, kereltje?”, praatte Lubinsky: „ben je je praats kwijt?” — van 't beleefde ü ging-ie weer tot ’t vertrouwelijke „je” over —: „...as je niet betalen ken, mot je manieren en beleefdheid leeren... ’k Heb grootere heeren klein gekregen!... Asjeblief!... Een, twee, drie, vijftig, honderd, tweehonderd accepten...” — in de vereelting van z’n vingers liet-ie ’n stapel wissel formulieren als ’n spel speelkaarten bladderen —: „asjeblief!... Handteekeningen van winkeliers, officiers,

194

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.