Duczika

Titel
Duczika

Jaar
1912

Druk
1926

Overig
4ed

Pagina's
315



gewild doen, maakten Erich wild. ’t „Pesten" werd zoo doorzichtig, zoo driest, dat-ie de ijzeren deur met ’n smak achter zich dicht dreunde, en in ’n aanval van woede, die ’m bijna ’t spreken belette, tegen den eigenaar van ’t „Lombard & Lagerhaus" losbarstte.

„Christus nog toe, help    je of    help je me    niet?...    Als ’k    nog

één seconde moet wachten,    ga ’k    ’r vandoor!"

Omdat ’t doosje lucifers    bij ’t gescharrel    op den    grond    viel,

hing Semmy Lubinsky de    buis    eindelijk in    den haak, en    zich

met ’n opwindende kalmte bukkend, ’t sigaarstomp je tusschen de lippen, walmde-ie ’r eerst ’n paar maal door z’n harige neusgaten op los, voor-ie ’n venijnig antwoord in vooraad had.

„Je heb me al Vrijdag op de trap af gesnauwd, kereltje", zei-ie, weer in den stoel voor ’t antieke schrijfbureau neerzittend, en de loupe, die met bijtende vlammen in de zon lei te branden verleggend: „je slaat hier ’n toon aan, of ik bij jóu in de schuld zit... Dat mot uit wezen, verstaan?... En anders: daar is ’t gat van de deur!"

Kwaadaardig wees-ie naar de zij van de gang.

„Dus je neemt ’t geld niet?", vroeg Erich bleek van drift.

„Ik neem wat ’k nemen wil!", snauwde Semmy: „ik laat me niet door jou as bedelaar behandelen!... Stop jij me fooien toe?... Bewijs je me diensten?... Mot ’k opzitten en pootjes geven, as je twee maanden over je tijd blieft te betalen?... Neem 't mee!... Maak me geen cadeaux!... Hoe kom ’k ’r?... Wat begin ’k?... Nóg! Nóg!... De bretaliteit!... Eerst voor me deur leggen soebatten, me ’n papier-van-niks, van niemedal, da’k net zoo goed ken verscheuren, as onderpand geven, en me dan as n hond, as ’n hond, affronteeren!... Betaal niet!... Mijn me zorg!... Al kniel je dagen en nachten voor me, nog met geen honderd procent rente vernieuw 'k je accept!..."

De felle vinnigheid van z’n woorden ketste met hagelslag tegen ’t pleister der wanden en van uit de leegte van den zolder doken de reutelgeruchtjes van ’n rondwarenden echo. Hij meende ’t, meende ’t waarachtig, vooral dien heeten morgen, nu Nathan Stief weg was gebleven en ie z’n onrust over ’t gebeurde met Wanda — had ze tóch gebabbeld, tóch, terwijl-ie ’r zoo duur had bedacht...? — niet meester kon worden. Hij meende ’t, zooals-ie ’t altijd bij eersten kregeligheidsaanloop meende — hij meende 't vooral tegenover Erich’s voelbare vijandschap. Daar, achter ’t verveloos hek met de betaalplank, stond ’r een van ’n ander

191

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.