aan 't handje?”, vroeg Poldi kwalijk gehumeurd en lichtschuw tastte-ie rond naar den bril.
„Christus, Christus”, zei Erich, duizelig neerzittend en zoo heesch of iemand ’m de keel toekneep: „... ’k geloof dat ’t meisje...”
Hij dorst 't niet uitspreken. De kamer, de tafel, de lamp, de paar portretten aan den wand, draaiden met ’m rond. Dronken opstaand, over den niet bewegenden Stief heenstappend, opende-ie de slaapkamerdeur. De vrouw in 't eene bed sliep, *t andere was leeg. Verder zocht-ie niet. Als ze in ’t huis was geweest, zou ze bij dat rumoer niet weg zijn gebleven.
,/k Zal 'n paar druppels voor 'm gaan halen”, zei Poldi, die z’n bril had gevonden, en bij Stief op de planken gehurkt zat.
Erich zag, hoorde ’m niet.
Voor de derde maal boog-ie over ’t kozijn, zocht met nerveuze angstoogen de binnenplaats af. Zelfs van ’t staketsel, waarin de merels ’r nest hadden gebouwd, van de stellage om de kleeden te kloppen, van de ijzeren vuilnisbakken zag-ie niets. Aan den hemel glans-vonkten de sterren — benee was alles schaduw, enkel de dichtbije muur van ’t overzijpand ketste iets van 't geluw-doorwasemde kamertje met Poldi's monstergroot hoofd naast *t gegrom van zijn schouders. Nergens brandde ’n licht, nergens brak ’n kleur door.
„Ik ga", zei-ie eindelijk, en z’n oogen waren omwald: „ik ga benejen kijken, Pol...”
„Benejen? Waarom? Voor wat?”
,/k Geloof, dat 'r iets gebeurd is...”
„Gebeurd?”
„Dat 't meisje...” — z’n stem sloeg 'r bij over —: „uit 't raam...”
„Ben je krankzinnig!”, stoof Poldi op, maar nu ook door de vreemde, lugubere stemming van de kamer, 't openstaand raam, Nathan Stief s gekrijsch en de loom-broeiende stilte bevangen, bukte-ie zich bij 't kozijn, griste den bril van de oogen — ’r zonder zag-ie in de verte uitstekend — en staarde lang-aan-gehouden, zonder te ademen, recht naar de plek onder ’t venster.
Zwijgend, bleek, haalde-ie 't hoofd binnen — zwijgend keek-ie Erich aan, knikte.
Hij had iets gezien — iets — iets wits.
Zwijgend, huiverend in de koelte van *t trappenhuis, lichtte-ie
183