Duczika

Titel
Duczika

Jaar
1912

Druk
1926

Overig
4ed

Pagina's
315



brokken ontrukkende lijkegieren. De tranen stotterden over z'n rimpelwangen — z'n jukken spaakten op naar de uitspitsende wimpers — z'n mond was 'n hideus litteeken — z'n oogen leien gevlucht in de kassen —- heel z'n gelaat stikte in wanhoop, maar 't slijmrig gereutel, 't stokkend gerochel uit de verwoeste strot, 't geklaag zonder klank, 't gerasp zonder zin, ’t heesch-dor geschrei, gingen 'r ver boven uit, waren 't erbarmelijk-desperate, ontroerend-smartelijke.

Even was Erich bij de deur teruggeweken, even had-ie 't gevoel, dat ze stoorden, dat dit de verklaring van Wanda's opgewondenheid kon zijn, dat 'r iets in de woning gebeurd was, waarmee-ie niet te maken had, dat z'n binnendringen op dit uur ongepast was — toen ondervroeg-ie koortsachtig, over z'n heele lichaam trillend — wie 'r gegild had — of-ie iets doen kon.

„Nee! Nee!", zei de stomme met gebaren, die schreeuwden, met mummellippen, die gierden, met afwerende, wild-betoogende handen, en zich langs den tafelrand naar den jongen student toe-sleepend, voet voor voet, strompelend-moeilijk, of-ie bij eiken stap in mekaar zou zakken, greep-ie 'm, altijd schor-klagend, bij den pols, en 'm naar ’t open venster mee-sleurend, wees-ie omlaag.

Weer boog Erich zich over 't kozijn, weer keek-ie de grauw-troebele, geen lijn en geen vorm doorlatende diepte in.

,,'k Begrijp je niet, Stief", zei-ie haperend, pratend met 'n stem, die de zijne niet was — dezelfde kil-klamme hand van zoo-even streek 'm opnieuw langs 't kleum-starre hoofdhaar: „heb jij zoo geschreeuwd?"

„Nee, Nee!", raasde de bultenaar, doldriftig 't hoofd schuddend, en voor de tweede maal zwaaide z'n hand naar de zij van 't venstergat, 't dreigend-zwarte, flets-duistere, en Erich dwingend te bukken, z'n pols niet loslatend, brabbelde-ie wezenloosdierlijke dingen.

„Is 'r iets gevallen?", vroeg Poldi, die langzaam begreep.

„Ja!", gier-steunde Nathan, en plots 'n waanzinnigen aanloop nemend, zou-ie 't raam uit zijn gesprongen, als de twee studenten 'm niet vast hadden gegrepen.

't Werd bij de te gruizel pletterende ruiten 'n kort, bezeten geworstel. Nathan trapte, beet, stompte, brulde, sloeg Poldi den bril van den neus, toen, zonder overgang, glee-ie uit Erich's armen bewusteloos op den grond.

„Heeft de vent te veel gedronken, of wat is *r in Gods-naam

182

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.