Die zien in de straten luxe en luxe... Is 't geen godsgruwelijk wonder, en pleit 't niet voor de goedheid van 't kuddedier...” — van 't laatste woord hield-ie enorm —: „dat 'r in verhouding zoo’n klein percentage misdaad is? De fout blijft dat ze 't niet dieper zoeken, en de stijgende misdaad met 'n stijgend aantal artikelen in 't wetboek-van-straf recht de baas probeeren te blijven, de struisvogels, de impotentelingen...”
Ineens, in z’n doorzichtige veelheid van woorden gestoord — Erich begreep de bedoeling — leunde-ie star van schrik, met gespannen pupillen en ’n onbeweeglijk-luistrende, geen rook-aarzeling dampende pijp achterover.
„Wat was dat?”, vroeg-ie gedempt, niet verwrikkend.
„Weet 'k niet”, zei Erich, bleek, moeilijk en met ’n ril-huivering over ’t achterhoofd, of ’n onzichtbare hand ’m over ’t haar streek.
Zelfs de ratten op de schrijftafel zaten als versteende naald-klompjes.
’n Korte gil-snijdende schreeuw, snerpend-klagend, ’n angst-gurgel, 'n rauwe noodkreet uit ’n gewurgde strot, zwonk door den stilstand der kamer, leek de hijgende lamp te omwieken, de hoeken bij 't rek en de kast in schaduw te deuken en verstierf, ’t Kon boven, benee, naastan, op straat — in de kamer zelf zijn geweest, ’t Had gegierd en met gele vonken gevlamd — 't was grijpbaar en tastbaar, één enkel bliksemend oogenblik — en ’t versmolt in de duisternis buiten, zonder echo, zonder weerklank, zonder zacht-nastuipend gerucht. Als ’t geduurd zou hebben, lang-van-galm, log-van-krijsching, met ’n zekere aanvoeling waar de plek was, zou de schrik minder heftig-pénetrant zijn geweest. Nu, bij ’t looden gewicht van de aanplonsende stilte, keken ze mekaar verdwaasd aan.
„Waar was ’t?”, vroeg Poldi, zich langzaam oprichtend, en in z’n gebaar was iets van verweer.
Erich, die zich den tijd niet gunde in z’n broek te schieten, stoof op de balkondeuren toe, wierp ze met rinkelslag open, boog zich over de balustrade. Niets. In de straatleegte was 't niet geweest. Bij „Die Taube” liep fn agent en van dwarsstraat naar dwarsstraat, plassing van lantaarnlicht voor zich uit, spurtte 'n auto.
„Is ’r iets?”, vroeg Poldi nog eens, weifelend opstaand.
„Nee”, zei Erich verwonderd: „Christus, 'k ben 'r koud bij geworden! ft Klonk zoo dichtbij, zoo vlak in de buurt...”
Ongerust, nog heelemaal wit, stapte-ie de slaapkamer in,
180