is, zoo onmogelijk?... Als je voor ’t geval van ’n scorpioen ’n verklaring kan vinden, blijft de mogelijkheid in principe bestaan, wat?”
„Had jij vannacht zoo’n speciale behoefte over s u i c i d i u m na te denken?”, vroeg Erich, voor de tweede maal glimlachend — goddank, de ballast was-ie kwijt — Duczi zou ’t begrijpen — Betty wist dat-ie naar Friedrichshagen gegaan was...
„Jongen”, zei Pol met z’n zachtste kamerstem en 't licht van de studeerlamp besprenkelde z’n brilleglazen onder ’t vierkant hoofd met ’t gekarteld koper-bronshaar, of ze fonteintjes van violette, dof-paarse, parelmoeren stuivinkjes werden: ,,...’k zie uur aan uur s u i c i d i u m van de beste qualiteiten, voornemens, bedoelingen, idealen, door maatschappelijke oorzaken, voor me... Juist in de rust van m’n werkhok — als ’k op dreef raak — voel ’k sterker dan anders den zelfmoord bij m’n correctie-arbeid op de drukkerij... Ja, ja... En dan, ’k heb pas m’n hart aan ’n brok statistiek opgehaald... Om de tien, elf uur maakt zich iemand in Berlijn door verdrinken, ’n revolverschot, ’n opengelaten gaskraan van kant, om de tien, elf uur herhaalt ’t zich...”
„Ja, ja...”, antwoordde Erich, met de naald onbewegelijk in de hand. Hij dacht aan de kleine scène met oom Ludwig — over z’n vader.
„Pardon!”, zei Poldi, „Nietzsche” brusk loslatend — hoe kon-ie zoo stupide zijn, zoo ontzettend-ontaktvol, om na de confidentie van den nacht, toen Erich voor dag en voor dauw op was gestaan, op dat chapiter door te boomen — dat-ie, ezel, ’r dat van n opengelaten gaskraan uit had geflapt! —: „pardon, ’k had natuurlijk geen oogenblik de intentie...”
„Ga gerust je gang”, knikte Erich, den draad met z’n tanden doorbijtend — de reparatie was klaar en ditmaal stevig: ,,’t interesseert me — k had 'r geen flauw vermoeden van, dat 'r zooveel... Dus minstens twee in vier en twintig uur?”
„Ja”, zei Poldi, snel doorpratend, om van ’t gevaarlijk onderwerp af te stappen — jammer, dat-ie zoo bruut was geweest! —: ,,’t neemt eer toe dan af. Ook de misdaad! ’k Heb hier tabellen over moord, diefstal, aanranding, waarbij je gewoon gebluft zit! Om de zeven inenschen heb je ’n „misdadiger”... En dat ’s nog relatief weinig, ontzaggelijk weinig, verbazingwekkend weinig... Reken ’ns an: ’s winters loopen ’r in Berlijn van de dertigduizend tot de vi;ftig-duizend zonder bestaan, zonder ’n hap brood, zonder n al’dak rond! ’s Zomers bij de dertig-duizend!
179