Duczika

Titel
Duczika

Jaar
1912

Druk
1926

Overig
4ed

Pagina's
315



reutelende pijp blazend, leunde Pol, zich smijdig-uitrekkend, achterover.

,/k Wou", zei-ie, met 't gevoel van 'n jong-monter hoentje — enkel de blaren van ’t roeien hinderden 'm —: ,/k wou me op zoo'n stank en zoo’n stilte graag ’n jaar abonneeren... De lucht van vanmiddag bij de schipbreuk van de Medusa heeft me zoo opgeknapt, dat 'k 'r m'n heelen nacht aan zou geven, als morgen m’n dagdienst niet begon!... Ben je de dames nog wezen opzoeken?... En heb je n taschje gemoerd?”

„Nee!”, zei Erich gehumeurd: „de boel was potdicht — dat ding is van hiernaast...”

„Zoo”, antwoordde Poldi, geen verdere uitlegging vragend. Na de tranen, die-ie in de oogen van z’n vriend in den spoorcoupé had gezien, bij 't betrokken gezicht en de bruske gebaren na 't binnen-rumoeren, hield-ie zich aan de ouwe diskreete methode, om den ander — als-ie 'r lust toe had — uit eigen aandrang te laten praten.

Daar scheen Erich op *t oogenblik niets van te moeten hebben. Lusteloos — z’n bad bij de kraan in de keuken verwaarloosde-ie zelfs — kiepte-ie colbert, vest en ’t versleten half hemdje van oom Ludwig met ’t te wijde boord op den stoel bij de slaapkamerdeur, en 'n sigaret opstekend, bleef-ie op 't balkonnetje, waar-ie Vrijdag met haar samen gestaan had, hangel en.

„Dat 's goed om tering op te doen”, waarschuwde Poldi, die 'm met de afgedankte pet gezelschap kwam houden: ,/k zou m’n jas aantrekken, jongen...”

,/k Vat geen kou”, zei Erich koppig — de zoele nachtwind, over z’n halfnaakte borst, knapte ’m op.

Ouwergewoonte zwegen ze.

Boven ’t hoekig dak van 'tHotelDieTaube met z’n ge-luw-doorspalkte stores, z'n licht-gekwijn achter neergelaten gordijnen — boven 't „Absteigequartier” met z’n broeiende venstergaten, dreven wolke-vlokken zoo teer en zoo wazig, dat 't vlammen en flonkren der sterren ’r nauwlijks besluierd door leek. De melkweg, onpeilbaar van diepte, vaal-blauw, wijd-weg tot waar de damp uit de stad in rossig genevel opsteeg, vol vonkende trossen, tintel-bevende spetten en paars-doormarmerde dalen, lei in de bulting der daken gegroefd. En plots, als n wild-stuivend dwaallicht, phosphoresceerend, z’n baan als 'n stalen rapier langs vuur-knettrenden zwamsteen bekrij schend, met ’n naschreeuw van stuipende flarden en 'n bersting van gloeiende splinters,

176

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.