zich los te rukken. Maar in 'n wip — wat-ie vast had, liet-ie niet makkelijk los — betaalde-ie den koetsier, die ’r niet aan gewend was, dat paartjes in open Droschken ruzie maakten — en eer ze 'r op bedacht was, stond ze achter de vlug gesloten deur van *t „Vorderhaus”.
„Zoo”, praatte-ie opgelucht: „en nou een, twee, drie onder de wol, stijfkop!... Nee, niet hier blijven! Toe, 't is al zoo laat. kindje!”
Weer, als voor 'n uur, streek-ie 'n waslucifer af. De afgetakelde gang met 't plompe duister van de binnenpkiats, 't bord met de adressen van de huurders en de schemertrap met 'r uitgevreten treden leefden op—ook 'tbleek-mager kinder-gezichtje, doodswit en ontdaan boven de bij de hals ingescheurde blouse.
„Als je niet wil, dat ik je draag”, dreigde-ie glimlachend: „haal ik je vader en doen we *t samen...”
Willoos, kapot-van-gebaar, de traptreden zonder besef be-stappend, liep ze voor ’m uit. Een-hoog kon ze niet meer, zakte ze ineen.
De lucifer doofde — in 't donker sprak-ie 'r dringender toe.
„Wat is dat nou, kindje?... Christus, met 'n beetje energie...”
Ze richtte zich weer op en bij 't verder omhoog gaan kreunde ze of ze lichamelijke pijn had.
Drie-hoog moest ze opnieuw gaan zitten. Met ’n verschen lucifer in 't doosje gestoken, wachtte-ie tot ze weer kon.
„Bij wie was je vanavond?”, vroeg-ie.
Ze zweeg, snikte met 't hoofd in de handen.
„Bij — bij Lubinsky?”, hield-ie vol.
Ze schudde woest-driftig 't hoofd.
„Zoo”, zei-ie, 'r helpend om op te staan: „en wal: wou je je vader schrijven dat je 'm niet dorst zeggen?... Heb je je over dat gedrocht te beklagen?... Heeft-ie 't je lastig gemaakt...? Nou dan, kindje!... Je doet of 'r iets vreeselijks gebeurd is, en als men je soebat, hou je je mond!”
„Ik ben zoo moe, dat *k niet praten kan”, antwoordde ze moeilijk.
„Wil je dan morgen?”, vroeg-ie.
Ze knikte suffig, nauwelijks luisterend, en terwijl-ie de recht-sche deur, vier-hoog, ontsloot, leunde ze uitgeput tegen den wand.
Nathan Stief was ’r nog niet. ’r Brandde nergens licht — alleen in ’t bed van de achterkamer klonk 't gemuminel van de verlamde vrouw.
174