te wekken — las-ie, las-ie toch. En was blij, dat-ie ’t gedaan had, dat-ie eindelijk wat begreep. Bij ’t aanfloepend, weer weg-norschend licht der lantaarns, zag-ie gevlekte, morsige, nerveuze letters. Ze was den brief begonnen, was in den eersten zin blijven steken, had 't papier schots en scheef met den nog natten inkt toegevouwen—met de doorzichtige bedoeling 't geschrevene zóó niet te posten.
Op de bovenste helft van 't velletje, uit 'n schoolschrift gescheurd, klitten half-leesbare woorden — op de benedenhelft stond 't nog eens, in vervloeid spiegelschrift, als ’n stukgewaaid spinneweb.
Drie-, viermaal, zich bij iedere nieuwe lantaarn moeite gevend, herlas-ie, letter na lettergreep:
Vadertje!
Ik ben vanavond, omdat jij het wou, omdat jij van hem afhankelijk ben, bij meneer L. geweest, en omdat ik het je niet zeggen durf, schrijf ik je alles voor ik het besluit neem, jou, goeie, lieve vader, dat verdriet...
Duidelijk, dadelijk-duidelijk was 't niet. Maar de geëxalteerde toestand van 't kind en de laatste woorden die 'n bedreiging leken, drongen je 't idee van 'n „afscheidsbrief” op.
Christus, die letter L...
L. beteekende natuurlijk Lubinsky, omdat Lubinsky de „chef” van *r vader was!
„Omdat jij 't wou, omdat jij afhankelijk van m ben” — „omdat ik het je niet zeggen durf" — „durf” onderstreept! — „voor ik het besluit neem, jou dat verdriet...” — ’t „aan te doen” had ze niet meer geschreven... Christus, had de gedrochtelijke eenoog iets met de opwinding, 't gesnik van 't kind uit te staan?... Zou 't monster...? Nonsens! Bestond niet!...
Maar wat beteekende dan de aanhef van den brief: „...ik ben van avond, omdat jij ’t wou...” — van avond. Dat was voor geen twee uitleggingen vatbaar...
’t Rijtuig stopte. Ze waren 'r.
„Kom, juffrouw”, drong-ie met vriendelijk geweld: „geef je hand en stap uit! Toe, flink, flink! Ik zal je helpen...”
Opschrikkend, 't huis aan de overzij van „Die Taube” met zn verlichte ramen herkennend, stribbelde ze tegen, trachtte
173