Bijna in zn gewurm, om de dingskes uit ft opengeklept taschje van den grond te grissen, was-ie 'r kwijt geraakt.
„Wel, Christus, zèg dan wat r is!", sprak-ie r arm voor de tweede maal grijpend.
„Niemendal! Niemendal!", hijgde ze, en ineens schel-vinnig uitvallend, riep ze uit: „laat me met rust!... Bemoei je niet met me!"
„Larie! Nonsens!", zei-ie: „waar wou 'n aap van jóuw leeftijd nog zoo laat heen?... Zal ik met je naar huis gaan, en je vader onder handen nemen...?"
„Vader is niet thuis...", hakkelde ze: „en 'k ga niemeer terug!"
„Nonsens!... Doe niet zoo opgewonden!... Ben ik zoo'n vijand van je, dat je me niet vertrouwt...? ...Kom!... Je heb niet eens 'n mantel an!... Willen we 'n endje oploopen, tot je gekalmeerd ben...?"
„Nee... Asjeblief, asjeblief, laat me alleen!"
„Denk 'r niet an!... Ja, al stap je nog zoo — *k heb óók beenen!... Al wou je de Heerstrasse afkuieren: mij raak je niet kwijt!"
Hij babbelde tegen fn doove. Ze nam geen notitie van 'm. Strak voor zich uit starend, als 'n slaapwandelaarster den stoeprand houdend, en daar niet van wijkend, bewoog ze de kleine voeten.
Misschien, 'r niets van begrijpend, en de dochter van Nathan Stief niet zoo kennend, om zich met geweld aan 'r op te dringen, zou-ie 'r in den steek hebben gelaten, als ze niet zelf, en dat op 'n zoo wonderlijke manier, of ze niet wist wat ze zei, of ze half-waanzinnig was geworden, was begonnen te spreken.
„Wat ’n zacht weer, hè?", praatte ze, zonder ’m aan te zien: „wat ’n gek weer, hè?... Hè?... Hè?... Ja, wat?"
„Nou, dat schikt nog al", zei-ie, met z'n houding geen raad wetend.
„Ja — ja", zei ze wezenloos: „waar zijn we hier zoo wat?... Gek, hè?, dat je zoo kan loopen suffen... Dat komt... God, wat heb ’k 'n vreeselijke, vreeselijke hoofdpijn... Zou 't nog ver
.. t»
zijn...
„Wat?", vroeg-ie.
„Nou — nou — nou...", wauwelde ze, te op om ’r gedachten te formuleeren.
Ze was ziek. Ze was overspannen. Hij vertikte 't 'r midden in den nacht — bij half twee — aan 'r lot over te laten.
170