Friedrichshagen, raakten ze mekaar bij ’t gedrang der Zondags-menigte, die naar Berlijn terug wou, natuurlijk kwijt. Tante Toni kwam met Klärchen en Jettchen in ’n stamp vollen coupé — Frida en Mariechen in ’n anderen, waar ze door Erich binnen werden geduwd — Erich met Poldi in een van de achterste wagens, in ’n coupé met al vijftien passagiers.
„Dat was ’n héél gezellig dagje, ’n uitnemend uitstapje”, begon Poldi met 'n droog-komiek gezicht, en zich met moeite aan ’t bagagerek vasthoudend, te redeneeren: „ik heb me zeldzaam geamuseerd. De Klops was voortreffelijk. Niets op af te dingen. Ook de bloemkool en de zeer aparte taart, ’k Had me alleen niet kunnen denken, dat de kleine rakker van 'n Mügelsee zoo’n herrie kon schoppen. Wil je gelooven...”
„Doe me ’t genoegen, en klets niet!”, zei Erich, die telkens met de vette knieën van ’n beroepsbierdrinker bufferde, en die stierlijk ’t land had, omdat ’t hemd aan z’n lichaam plakte, en-ie zich minstens zou moeten verschoonen, voor-ie naar Laurie ging: „als je wat te vertellen hebt, doe ’t dan als we straks...” Toen met 'n schrik die 'm bijna ’t evenwicht dee verliezen, coupeerde-ie de paar woorden, die-ie nog wou zeggen, met ’n driftig: „Wel vervloekt, vervloekt, vervloekt!”
„Wat heb je?”, vroeg Poldi, ’r niemendal van snappend. „Vervloekt!”, herhaalde Erich, z’n natte broekzakken en die van z’n colbert door-grabbelend.
„Ben je je kaartje kwijt?”, vroeg Poldi ongerust — z’n eerste gedachte was bij de boete, die betaald zou moeten worden... „Vervloekt!” sprak Erich nog eens: „de sleutel!”
„Ik heb ’r toch ook een...”, zei Poldi, verbaasd over de opwinding om zoo’n kleinigheid.
,,’t Is niet de mijne”, zei Erich, ’t nutteloos gezoek opgevend — hij had ’m zeker bij *t verstellen van z’n broek, of bij ’t tobben in de boot laten vallen —: ,/t is die van Duczi... Nou kom ’k ’r van avond niet in...”
„Had je dan nóu nog...?”, vroeg Poldi.
Hij kreeg geen antwoord. Met 'n gezicht of niemand m wat in den weg moest leggen, keek de jonge student naar de advertenties in den wagen.
Zoo’n miserabele pech kon alleen hem overkomen! Gisteravond geen seconde mogelijkheid twee woorden met Duczika te praten — vanavond gedwongen zijn weg te blijven, terwijl ze 'm natuurlijk wachtte, en ’m dat kwalijk móést nemen — móést...
167