sjorrend, liet-ie Poldi, dien-ie geen lust had op z’n schouders te nemen, aan zn lot over.
„Dank je wel”, zei de magere reus, de veters van z’n bottines, die omdat ze al ’n paar maal gebroken waren geweest, vast-geknoopt zaten, lospeuterend: „dank je wel — dat is ’n excellente gelegenheid, om ’n relatief noodig voetbad te nemen..*”
't Duurde 'n poos voor-ie met de veters klaar was, en toen-ie eindelijk met z’n harige kuiten in 't gehos van de golven stapte, en de boot, die door ’t verlies van zooveel ballast weer begon te drijven, voor anker had gelegd — zeemans-manipulatie, waarbij 'm ’n bottine ontviel, en waarbij de broekspijpen om beurten van de aantrekkingskracht der aarde getuigden—plaste de regen met snijdend-striemende stralen neer.
’t Onbeholpen gescharrel van ’t groote lichaam, 't verwilderd hoofd zonder hoed, de druipende broekspijpen, de verwonderde teenen en de als n dakgoot lekkende bottine waren zoo mal, zoo potsierlijk, dat de meisjes ’t uitproestten.
„Christus, wat n misère!”, zei Erich onder 'n sparreboom schuilend: ,,’k laat de smerige boot hier! Die moet oom morgen zelf maar gaan halen!”
„Nonsens”, verzette zich Poldi, z’n zakdoek om zn boord vouwend, om tenminste iets bij de catastrophe te redden: „dat kan je niet doen! En zoolang zal de bui niet duren...”
„Gut, nee — Erich, hoe durf je...!”, zei Frida, de slippen van ’r rok uitwringend: „ik ga niet zonder de boot terug...” „Ik ook niet”, praatte ’r Mariechen na: „je weet hoe oom is, Erich...!”
„Daar heb ’k lak an!”, viel-ie opgewonden uit: „we loopen eenvoudig naar ’t eerste ’t beste station! Anders zijn we niet voor ’t nacht is in Friedrichshagen!... Wat weerlicht is ’t onze schuld?... Kunnen wij tegen f o r c e m a j e u r e?”
„Dwarskop”, redeneerde Poldi met de rust van ’n niet-gehaaste: ,,’t is pas vijf uur!... ’r Gaan nog treinen om half een!... Heb-ie geen kans, om hier of daar in de buurt ’n roeispaan te leenen? Ik amuseer me best. Ik hou van ’n kleine variatie, ik ben blij dat ik ’t meegemaakt heb — de sensatie van te vergaan en van 't behouden aankomen. Jammer alleen voor m’n hoed. ’k Geloof niet dat ’k 'n duplicaat bezit, tenzij jij zoo humaan wil zijn me morgen ’n afdanker te verhuren... Wil u mijn jas, juffrouw Frida?”
165