Duczika

Titel
Duczika

Jaar
1912

Druk
1926

Overig
4ed

Pagina's
315



Mariechen — minstens zoo nat —: ,,'k zou best den heelen nacht willen uitblijven/'

„En ik — ik laat me voor stuurman van de koopvaardij monsteren...”, praatte Poldi opgefrischt door 't gezuig en gesuis van de kostelijke lucht: „ik wist niet, dat 'k nog zulke „sluimerende” kwaliteiten bezat!... 't Eenig bezwaar lijkt me ’t geplas van die menschen... Zouen jullie niet met z’n allen willen schreeuwen, dat ze opzij gaan!,... Héééééé! Héééé!...! Moeten jullie 'r onder raken...?”

Frida schaterde 't uit — 't idee, dat je door 'n boot over-rejen werd! — maar tegelijk hield ze zich verschrikt vast. 'n Plotse, geniepige rukwind, door niemand voorzien, deukte 't zeil met zulk 'n geweld, dat de kleine mast boog en de wherrie bijna water innam, n Grauwe, dof-gele wolk slokte ’t laatste, amper nog door de wolke-randen heen-wittend zonnelicht, en in ’n bizar-onstuimigen overgang, wild en dreigend, woelend en met nijdige kammen op de golven, gromde de Mügelsee, of ze door 'n orkaan werd geteisterd.

„Allemachtig!”, riep Poldi, die in de poging om zn weg-waaienden hoed vast te grijpen, nog de zotternij beging, een van de koorden van 't stuur te laten glippen: „allemachtig, dat wordt de schipbreuk van de Medusa!”

Erich zei niets. Voor *n tweede rukwind op kwam zetten, had-ie 't zeil gestreken, boomde-ie de wherrie door ’t gelukkig ondiepe water. De meisjes, door-nat, keken met doodsangstige gezichten naar 't geweld van den storm, die de boomen aan den oever in *t gekolk en gebuil van stof lawinen dee wijken, en de straks nog zoo rustige Mügelsee in één stuwing van mekaar bekrijschende, vernielende golven opzwiepte. Ze hadden de Tegelersee, de Nicolassee en de Mügelsee wel ’ns meer rumoerig gezien, maar ’n zoo woeste, grimmige uitbarsting, nooit, n Zeiljacht in de buurt, dat tegen de rukwinden trachtte te laveeren, leek in de branding der golven vast te loopen, en 'n vierriems-giek, met 'n meisje aan 't roer, schommelde, dook, of ze 'r houvast kwijt was geraakt. De baders vluchtten, en tusschen de struiken, waar de menschen de kleeren neer hadden gelegd, werd *t 'n paniek, 'n hollen en draven, om voor den regen binnen te zijn.

Met 'n zachten schok schuurde de boot over 't zand. Erich trok z’n kousen en schoenen uit, stroopte z’n broek op, stapte in ’t water. Een voor een droeg-ie de meisjes aan ’t land, toen de wherrie, die water gemaakt had, nog zoo veel mogelijk mee

164

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.