Duczika

Titel
Duczika

Jaar
1912

Druk
1926

Overig
4ed

Pagina's
315



„Pol!", viel Erich onhebbelijk-driftig uit: „je weet dat ’k niet tegen pesten kan! Hou je vernuft voor je!"

„Integendeel", hield de magere reus met z n goedig-droomerig gezicht vol:... ,,’k geloof dat ’t incident als ’n beschikking der ondoorgrondelijke Voorzienigheid beschouwd moet worden... Jij werkte je in ’t zweet — en met ’t zeiltje, dat ’k al lang zat te taxeeren, kunnen we ons, zonder eenige verdere afscheiding van jouw twee miljoen zweetkliertjes, als waarachtige renteniers laten drijven... Wanneer de dames 'n tikje willen opschuiven..."

„Blijf in Godsnaam zitten!", zei Erich, half wrevelig, half op weg om de zaak in berusting te aanvaarden: „jij ben zoo uitgezócht onhandig, dat *r ongelukken van komen!"

Lacherig-angstig zakte Frida aan de eene zij op de vochtige planken van de boot, ’r zondagschen rok zoo hoog mogelijk omslaand — Mariechen dee ’t aan de andere zij.

Erich, de beenen wijduit, om in evenwicht te blijven, wurmde den kleinen mast in 't gat van de middenbank, en toen 't zeiltje wind vatte, had-ie 'r zelf schik in. De resteerende spaan ge-bruikte-ie als zwaard — Poldi als stuurman af te lossen, leek ’m bij de lompe bewegingen van z’n vriend en bij ’t gillen van de meisjes, die bij iedere lichte boot-kanteling ’t opklotsend kielwater over de beenen kregen, onmogelijk.

*t Glee als *n arreslee vooruit, lekkertjes, zonder inspanning, zonder geploeter aan de riemen. De boot luisterde meer naar ’t zeiltje dan naar 't zwakke geweld van de spanen. Je zag hoe je spurtte, maar je spurtte naar de verkeerde richting. Laveeren zonder zwaarden en met wind van den wal af, zou misschien met oom Ludwig zelf aan ’t roer zijn gelukt — nu glejen ze — om helsch te worden zoo kwiek naar de overzij, waar je ’t gele gespikkel van badende menschen en kinderen zag.

„Christus!", klaagde Erich: „zoo komen we nooit meer terug!... We hebben ons wat aangehaald!"

„Wat pruttel jij!", zei Poldi, 'r met toegewijden ijver voor zorgend, dat ’t zeiltje bol bleef: „jij verkniest de beste oogen-blikken van je leven met je ongeduld!... 'k Heb in geen jaren en jaren zoo’n voortreffelijk uurtje gekend!... En u, juffrouw?"

„Goddelijk!", zei Frida: „heerlijk! ,,'k Word alleen 'n beetje nat..."

Ze dreef — ze zou nooit in presentie van de twee studenten durven opstaan.

„We moesten zoo de Spree kunnen opvaren!”, zuchtte

163

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.