Frida of Mariechen ’t dan doen, als jij r geen lust in heb!../ „De zaak is”, verweerde Poldi zich droog:_„dat ik geen kompas heb, en dat als ’k enkel water zie de boot van zelf begint te draaien... Zoo, nou schieten we prachtig op...”
„Dat merk ’k!”, snauwde Erich — ’t zweet gutste ’m over ’t gezicht en de winkelhaak in z’n broek hing weer aan flarden—: „let op die Sterndampferi Christus, ik heb geen oogen achter in m’n hoofd!”
„Beste jongen”, antwoordde Poldi, niet uit z’n loome kalmte te porren: „...eer die stoomboot 'r is, zijn wij in New-York... ’k Zou even uitrusten, als dat ding met z’n gebel voorbij is...” De golven door ’t gewentel van de schroef hooger en wilder gezwiept, schokten de roeiboot, dat ’t schuim over den rand barstte. Frida kreeg ’n scheut water over *r witte jurk, Mariechen ’n plas over ’r knie.
„Nou”, zei Poldi, zich den zwemmenden bril van den neus schuivend, omdat-ie geen land en geen horizon meer onderscheidde: „ben je tevrejen, kapitein? Heb ’k ’t kranig volbracht...?”
De meisjes schudden van ’t lachen, droogden zich de handen en ’t gelaat met ’r zakdoeken — Erich vloekte en met reden — door z’n verwoed geruk, om de boot tegen de deining van de golven schrap te zetten, brak de rechterroeispaan nog afgepaster in tweeën dan de rieten stoel bij ’t prieel.
’t Was geen vergissing — de eene helft dobberde plezierig in *t zog van de stoomboot, de andere hing met vezels en afgeknapte splinters aan den ijzeren bout.
„Christus, wat ’n vervloekte historie!”, raasde-ie, de gave spaan in de boot trekkend: „dat geeft nog 'ns gedonder met oom!...” „Ja”, glimlachte Poldi: „...maar voorloopig nog niet... Tenzij jij kans ziet om met een van die lepels te racen...”
„Christus! Christus!”, fulmineerde Erich, op zijn horloge kijkend — van ’t bijtijds naar Berlijn terugkeeren kwam niets meer! — vervloekt! vervloekt! —: „als jij niet zoo beroerd en lamlendig gestuurd had, waren we nou niet voor de weerlicht!” Even leunde Poldi nadenkend in den stuurstoel achterover, toen rekende-ie zachtzinnig:
„Ad primum, Erich, zijn we niet voor de weerlicht, ad secun-dum zie ik geen causaal verband tusschen mijn voortreffelijk sturen en jouw gebroken roeispaan, ad tertium schijnt ’t roerend eigendom van je oom niet zoo soliede als z’n onroerend... Ad...”
162