„Ja, en wat 'n verjaarsdiner”, babbelde Mariechen gretig na: „wat had-ie nou nog goedkooper dan Klops kunnen uitzoeken, hè?... Ik vind m n dierage... En jij, Erich?”
„Wat is 'r? Wat zeg je?”, antwoordde de roeier verstrooid — hij kon de enveloppe niet uit z’n gedachten zetten.
„Vind jij oom geen mispunt?”, vroeg Mariechen: „vind jij 'm geen draak?”
„Welnee” spotte Erich: „m’n zielsliefde is-ie bepaald niet, maar — Christus, trekt die boot zwaar! — maar ’n draak is ’n — 'n minder juiste terminologie...”
Hij hijgde. In geen jaren had-ie geroeid. En de stroom werkte gemeen tegen.
„Wil ik je aflossen?”, vroeg Poldi, die 't voortsjokken van de diepliggende wherrrie door z’n onhandig gemier met de koorden van ’t stuur niet makkelijker maakte.
„Jij!”, lachte Erich: „jij!... Dan kan je de eerste dagen niet op je zitvlak corrigeeren... Ik heb al blaren bij de vleet!... Christus, is dat 'n karkas, om op ’n roeiwedstrijd mee uit te komen!...”
Zweetend, kort-ademig — z’n getum thuis met de pootige halters, die in de keuken bij de ratten huisden, hielp ’m geen zier — stroopte-ie z’n colbert en z’n vest af, de spanen terwijl met z’n kniëen vasthoudend. Dat dee de boot zwabberen, dat de meisjes ’r angstig bij werden. Dan, door ’t vlotter gewiek van de jonge, sterke armen, ging ’t met ’n smijdig vaartje, en 't water dat al dien tijd tot op den bodem doorzichtig gebleven was, werd van ’n donkerder, massiever, gefronster groen.
Frida liet 'r hand mee in ’t spatten der golfjes drijven — Mariechen zat met de kin op ’r vuistjes gesteund — Poldi, moe en melancholiek: de rust, de stilte en 't dommlend gekabbel drongen 'm 'n sensatie van lichamelijke uitgeputheid, n zich erbarmelijk-oud-voelen, waartegen-ie zich nauwelijks verzetten kon, op — Poldi, dien ze miserabel vervelend vonden — hoe kon Erich *t met zoo’n saaien, geen woord pratenden vriend stellen! — sufte, knoeide zoo met ’t roer, dat de roeier af en toe gezellig-nijdig opstoof.
Christus, Pol, wat voer je in Jezusnaam uit! Stuur je, of stuur je niet?... We drijven op die manier naar Mügelwerder af!... Bliksem-nog-toe daar komt ’n jacht!... Meer links! Meer links!... Wat bliksem, als ik meer links roep, moet je niet met je linker-, maar met je rechterhand trekken!... Laat
il 161