oogen logen — schrikkelijk, schrikkelijk, hoe ’m dat tegen viel...
De naald gritste op en neer met groote ruziesteken — nog 'n paar happen en de scheur was dicht.
„Kom, jongen”, begon oom Ludwig in ’n ongekend-hartelijken toon — de uitbrander van daarstraks had 'm geraakt —: „vertel nou *ns eerlijk, zooals ’k dat van jóu gewend ben, en waarom ’k van jou meer dan van de anderen bij mekaar hou, hoe je zoo dik in 't geld zit, als de ring...”
„Geboft bij den totalisator, verleden Zondag...”
„Heb jij...? ...Heb jij...?”
„Zoo... Dobbel jij?”, sprak *t mannetje, 't hoofd schuddend: „maar daar moet je dan toch ook geld voor hebben...”
„Daarvoor hebben we Poldi’s remontoir — toen we geen rooien duit meer hadden — naar oome Jan gebracht, hahaha!... Ben je nou uit de zorg?... Hahaha!”
Hij schoot in z'n broek, had weer den ouwen vroolijken lach, klopte oom op den schouder.
„Zoo... Zoo...”, praatte oom, de papieren op 't bureau ordenend:... „als je meent, dat 'k dat prettig vind, om te hooren, vergis je je...”
,/k Wou, dat 'k iederen dag zoo'n buitenkansje had!”, spotte neef met z’n volle attentie bij 't stapeltje in oom’s hand.
„Geen schulden, niet spelen, niet hoereeren...”, zei oom, alle., in 'n open la schuivend: „onthou dat Erich!... 'k Heb zooveel ondervinding in m’n leven met kennissen en vrienden gehad...” „Ja, ja”, lachte Erich, nog altijd zeldzaam-gedwee:... „dat's allemaal excellent, maar de braafste theoreticus, oom, kan met vijftig Mark in de maand in 'n ongezellig gedrang komen... Is *t niet?”
„Nee”, ontkende oom Ludwig: „met je vriend samen — met dien vriend, waarvan 't me alleen verwondert, dat-ie an zulke dobbelarij meedoet, heb je véél meer dan vijftig... En dan... En dan... Jij heb me toch nooit gevraagd...”
„Dank je wel”, vinnigde 't uit Erich’s mond: ,/k heb me aan anderen gespiegeld.
„Aan welke anderen?”, dee oom onnoozel.
Weer had de jonge student moeite den naam van z'n vader niet uit te spreken. Glimlachend-ingehouden zei-ie enkel:
„Aan tante Toni en de meisjes...”
„Zoo! Zoo!”, beet oom van zich af — en 't klassieke, schra
159