geen tijd... Die plakt heele nachten en dagen bij ’n raar soort familie — is *t niet, Frida? — O, is Frida buiten! — ...Die zien we net zoo dikwijls als jij!... Die sjeneert zich, zou *k haast denken!... Nare jongen, hoor!... Niks geen aardigheid an!... Is maar 's eens hartelijk voor ons geweest, toen Jettchen met koorts lee, en ik niet van me stoel op kon komen...’*
„Nou, ma...”, waarschuwde Klärchen, ’r bril verzettend: „daar heb-ie je woord op gegeven...?”.
„Wat was dat dan?”, vroeg oom Ludwig nieuwsgierig.
„Ach niks niemendal — niet de moeite waard...”, zei Toni voorzichtig: „een keer is-ie neef voor me geweest — en anders, anders... Nee, van je familie mot je 't zelden hebben...”
„Ja, ja”, antwoordde oom, of hij niet van de familie was: „zeg dat wel!”
Omdat juffrouw Treibitz, die graag alles op 'r gemak dee, en door niemand geholpen wou worden, in de kamer begon te scharrelen, gingen ze naar 't prieel in den tuin. Daar spreidde de zon ’n jolig kleed van lichtloovers en waggelende schaduwtjes over de door oom zelf pas geverfde tafel — daar vlogen kanjers van vliegen, paarsblauw en met weerlichtend goud aan de vleugels, in en uit — daar dommelden spinnen, log en vadzig in zachtekens-deinende netten — daar waagden zich vlinders, sneeuwwit en purper-met-zwart, onder ’t koeplende dak, en klepten weer snel naar ’t barnen der zon — daar babbelden de vrouwen verwonderd over zooveel dagschijn, zooveel hemel, zooveel stilte, zooveel groen — zooveel andere en ongewone dingen dan in de vochtige, donkere parterrewoning in 't Oosten — en toen juffrouw Treibitz ze ’n karaf frisch water met 'n zwak kleursel van „Himbeersaft” bracht, omdat ’t nog wel ’n paar uur kon duren eer ze aan tafel gingen, werden ze dronken door de weelde van ’t buiten-zijn, ’t geneurie van boomen en struiken, 't jolig geklots van 't water, *t gekakel der kippen, 't blanke gestraal van de goddelijke zon... Toni moest Frida en Mariechen telkens vermanen te blijven zitten. Ze zag aan de oogen van oom Ludwig, hoe lam-ie 't vond, als de voeten de gladgeharkte kiezels tegen de rasters der bloembedden trapten — ze voelde dat-ie 't als 'n schennis onderging, wanneer de wherrie waarvan ze niet af konden blijven, de golven bebeukte. Toen ook Jettchen en Klärchen, als ordelijke kinderen 'n rechtschapen wandelingetje, precies in *t midden der paadjes waagden, nam zij 'r zoo-veelste aanloopje, om m over 'r schuldjes bij kruidenier en melk-
149