Zondag voor nemen — verscheen Toni met de kinderen. Jettchen had 'n tafellooper voor 'm geborduurd, gaf 'm dien met 'n kus — Klarchen, die 'r oogen aan geen handwerkjes bederven kon, had bij Wertheim *n 35-Pfennig zilveren lucifersstandaard voor de slaapkamer gekocht, stopte 'm dat ontzaggelijk-blinkende met 'n kus in de handen — Frida droeg n bundeltje bloemen, op den Potzdamerplatz bij Fürstenhof ingeslagen, drong 'm die met excuses dat-'t-zoo-weinig-was en met twéé zoenen op — Marie-chen, wikkelde ’n zelf met postzegels beplakt glazen aschbakje, waaraan ze 'n week besteed had, uit n „Kriegsruf” van de Heilsarmee, zoende omdat ma en de zusters 't deeën, maar met saamgetrokken lippen, of ze levertraan dronk, 't Werd in 't voorhuis, bij ’t afleggen van hoeden en mantels — voor den avond meegenomen, *t beloofde! — ’n gezellig gedrang, 'n hartelijk watelen van stemmen. Oom zag ’r prachtig uit! Oom kon je op veertig taxeeren! Oom was jonger geworden! Oom had ’n zoo gezonde kleur als niet een Berlijner! Oom werd door juffrouw Treibitz, die 'r ook patent uitzag, vertroeteld! Hij — gedwongen-lachend, knikte — ergerde zich aan de vuile voeten, die ze 't keurige huis in-droegen — *t leek of de Berlijners in herbergen woonden... Jettchen had dadelijk dorst, verzocht 'n glas water, spette druppels op 't mahoniehout van de tafel — Klarchen wiebelde zoo met 'r stoel, dat de pooten voren in 't zeil groeven — Frida en Mariechen, God dankend, dat ze 'n dag buiten waren, en zeker wetend, dat ze op 't water geen onvertogens konden uithalen, zaten na vijf minuten in de boot, en wiegelden dat ’t schuim naar 't aanlegsteigertje woelde. De eenige die zich correct gedroeg, die 't karakter van 'r broer kende, was Toni. Maar die had weer zoo’n speciaal klachten-gezicht, en die hunkerde zoo om met Ludwig 'n „apartje” te hebben, dat-ie met angst om ’t hart in de buurt van de meisjes bleef.
Ze was grijs geworden, Toni, oud en zwaar-heupig, had slappe oogen, 'n bleek, opgezet gelaat en n mond met vermolmde tanden. Zenuwbabbelen, aan een stuk door, dee ze, dat je *r suf bij werd. Zooveel als zij in een uur, praatte Ludwig nog in geen verreljaar af.
„Komt Erich, of komt-ie niet?”, vroeg hij, de druppels van 't tafelblad met 'n zakdoek drogend.
„Hoe weet ik dat?”, kwebbelde Toni subiet: „hoe ken ik dat weten? Zien we 'm ooit? 's Kijken, ’s kijken, wanneer was-ie 't laaste bij ons?... Die heeft voor de zuster van z’n vader
148