geschoven. Wel was ’r nog tijd geweest, om de pulletjes in de huis- en de dingskes in de tuinkamer, door juffrouw Treibitz’ gestof ’n weinig uit den gewoonte-stand verzet, mathematisch-nauwkeurig te herplaatsen — dat leerde de huishoudster nooit zoo precies en zoo keurig als hij ’t wou hebben — die had daar geen óóg voor — en wel had-ie z’n ouwerwetsch bureau-ministre afzonderlijk geordend, met wegsluiting van 't huishoudboek, waarin Toni eens belangstellend geneusd had, maar de genoe-gelijke harmonie der aan mekaar schakelende beweginkjes was voor de poes. Je wist niet of ze vroeg of tegen ’t eten zouen komen — na ’t eten was bij Toni ondenkbaar — en dat gistte onzekerheid in je. De kippen waren met gerst, ouwbakken brood en zuur-geworden aardappels gevoerd — de lauw-warme eitjes hadden ’n plaats in de bijkeuken gekregen — ’t water uit ’t bootje was ’r met de puts uitgeschept — de geraniums van de verandah dropen van ’t lekker gegiet — de postzegels waren uit den vestzak in de pul op ’t bureautje gedeponeerd — alles was in bezonken, weldoende orde — toch stokte, haperde, hortte ’t.
Zich vervelend, nam oom Ludwig ’n stoel bij de keukentafel, stopte ’n extra pijpje, wuifde den rook met z’n hand van de etenswaren, die juffrouw Treibitz in had geslagen, en keek zwijgend toe. Zij, door dat ongewoon bezoek meer dan in ’r knollentuin, sloofde zich uit. Met 'r vette knuistjes, twee-, driemaal gewasschen, waar-ie bij was, om ’m te toonen hoe kraakzindelijk ze kookte, kneedde ze de pap van geweekt wittebrood — bleef ’r ’n „Semmel” of ’n „Schrippe” over, dan werden die tot in lengte van dagen bewaard — en perstte daar ’t half pond gemalen varkensvleesch en ’thalve pond rundergehakt met ’ntikje peper, wat notemuscaat en ’n fijngesneden uitje doorheen. Toen klutste ze de meelsaus met ’n scheutje azijn, ’n paar druppels citroen en — bij uitzondering, omdat meneer jarig was, anders beging ze nooit zulke excessen — de tien Pfennig kapers uit ’t papieren toetje. De bloemkool had ze al af gehaald — de compote pruttelde op ’t petroliestel — de aardappels moest ze nog schillen. De kouwe van den vorigen dag — die van eergister hadden de kippen — zouden nog eens opgewarmd worden. Ze bewoog handig door ’t keukentje, ouwe kranten op 't fornuis leggend, om ’t spetten van water en vet tegen te gaan, telkens weer opruimend en den boel aan kant houdend. Van de groote surprise liet ze niets merken...
Over tienen, vroeger dan gewoonlijk — ze wou r den heelen
147