uit, kon-ie niet luchten. Erich, brutaal, geen poes~wat-heb-je-'n~ mooie-jongen spelend — Erich met z' n eerlijke uitvallen en onafhankelijk karakter, Erich met z’n studentikooze grappen, z’n te trotsch zijn, om ooit 'n extra te vragen, z’n zelf met dien vriend van 'm (die erg bij 'm in de gratie was) ’t huishoudentje voeren op twee kamers in 't Noorden, had 'm ingepalmd. Als neef 't gewild had, had oom 'm met 't groeien der late-avond-angsten graag bij zich in huis genomen. Eens had-ie 'r op gezinspeeld. „God, oom laten we geen nonsens beginnen/' had Erich botweg geantwoord: „als we mekaar te dikwijls zien, vliegen we mekaar in de haren! Kom bij Poldi en mij, tegen 'n Mark per dag, in vol pension, ontbijt, middageten, souper, water a discré-tion, logeeren, hahaha!, dan kost 't je nog minder dan bij Auto 9999!"...
Auto 9999 was juffrouw Treibitz, die de domheid begaan had, hèm van 'r verleden te vertellen...
Erich uit eigen aandrang wat toestoppen, deed oom Ludwig niet. 't Werd 'm niet gevraagd, en natuurlijk niet gevraagd, omdat tante Toni minstens 'n dozijnmaal 'r hoofd had gestooten, omdat Frida, die 't destijds bij de ziekte van twee tegelijk geprobeerd had, 'n af hap mee naar huis had genomen — en omdat oom Ludwig bij de uitbetaling der 50 maandelijksche Marken, *n gezicht trok of-ie zich tot 't hemd uitkleedde. Erich zou zich liever de tong hebben afgebeten. In den grond haatte-ie den oom, met denzelfden haat waarmee-ie al wat aan 't verleden herinnerde haatte. Hij wist van de weigering — van den avond, toen George in de tuinkamer van D a h e i m gebedeld had — hij wist 't door tante Toni, die oom Ludwig, in dat opzicht, als 'n voorbeeldig-voorzichtig man prees. Als zij net zoo gehandeld had, zou 'r leven niet zoo verwoest zijn geworden... Enkel omdat-ie 'm nóódig had, 'm niet kon laten schieten — dee Erich 'n paar maal in 't jaar — op den glorieuzen geboortedag en op Kerst, de reis naar Friedrichshagen. Kerstnacht sliep-ie 'r in 't muffe zelden beslapen bed van de logeerkamer. De relatie met z'n oom, had-ie Poldi herhaaldelijk gezegd, was 'n zuiver-zakelijke. 'n Huisjesmelker bezocht z'n huurklanten — hij 't egoist, voorwereldsch verschijnsel, dat op de Mügelsee bliekjes vischte, en dat volgens de wetten der samenleving en van de natuur z'n lijf-eigen oom, 'n broer van z'n vader heette...
Oom Ludwig had humeurig de regelmaat van den dag opzij
146