met afval vullend, bijharkend, bijstekend, snoeiend, stuttend.
Toen sloeg Hector aan — op 't zelfde uur. De post. Juffrouw Treibitz droeg de krant, 'n paar brieven en wat reclame-druk-werkjes den tuin in. In 't prieeltje bij 't water, waarop 'n „Mond-scheindampfer'' met tetterende muziek terugvoer, keek oom Ludwig de brieven in, de postzegel, die-ie eens in 't jaar aan 'n liefdadigheidsvereeniging schonk, in z'n vestzak bewarend. Een brief van niemendal. Een van 'n onbekende firma, met den gedrukten firma-naam Semmy Lubinsky & Comp., die 'm 'n onderhoud vroeg.
„Lubinsky?... Lubinsky?”, prakkizeerde oom Ludwig, z’n pijp uitkloppend en 'n nieuwe stoppend — op z'n morgenwandeling rookte-ie 'r twee —: „ken 'k niet! Moeten maar telefoneeren, als ze wat te zeggen hebben — als — als — zal wel weer op gebedel uitdraaien!”
De krant en de drukwerken liet-ie ongelezen — werk voor den tragen avond, als de familie weg was. Op den kleinen aanlegsteiger van de wherrie, de hark en 't mandje naast zich, fijne rookslieren tusschen de tandstompjes, bedroomde-ie 't gekabbel van de Mügelsee, die 't licht van de zomersche zon met vonkende glansfonteinen en kolkend-knarsende zilverschubben kaatste. Midden in 't branden en schuimen van hemel en water, schoor 't slank silhouet van *n vierriemsgiek. De spanen doken bruinzwart langs den stralen-keilenden rand van de boot, wiekten omhoog met laaiende, stuivende, goud-opwroetende schokken, ketsten weer neer in 't kokend gedamp van de zon-uit-hijgende golven.
Rustig-gehurkt bekauwde oom Ludwig z'n pijp. De komende dag — de dag van uit-z'n-doen-zijn — zat 'm dwars. Z'n drijven op den plas moest-ie opgeven, ook z'n luchtbad. Ging-ie van honk, dan had je kans, dat Toni met de meisjes in de kamers en in den tuin huishielden. En je bad vroeger nemen, zonder je eerst lekker in 't zweet geroeid te hebben, was niet dat. En dan de verdomde kwajongen, die 't niet de moeite waard vond met 'n simpel briefkaartje te zeggen, of-ie al of niet kwam — of-ie den datum bliefde te vergeten, zooals den vorigen keer, toen-ie eerst tegen den avond opdook!...
Ludwig Schüler hield van z'n neef. Toni met 'r vier dochters en 't slecht-oppassend zoontje, dat 't verdijde de handen uit de mouwen te steken! — Toni, met 'r eeuwig gelamenteer en 'r eeuwiger gekanker, om geld los te werken — Toni, met 'r gevlas op z'n dood — dat merkte, rook je an alles! — hing 'm de keel
10 145