Duczika

Titel
Duczika

Jaar
1912

Druk
1926

Overig
4ed

Pagina's
315



„Mag ’k wel drie pond nemen”, rekende de juffrouw: „da's vreeselijk onvoordeelig — braait wel n kwart in...”

„Nee”, zei oom. Met 't doorlurkt pijpje tusschen de bleekblauwe lippen — zinnelijk-platte lippen, die niet bij z’n ascetisch bestaan leken te hooren — bebroedde-ie de voordeeligste zaken van 't lichaam der koe en van ’t zwijn, en zulks met ’n grimmigen, diepzinnigen ernst, of-ie bezig was de hoogte van de poolster met den vertikaalcirkel te bepalen. Z’n ruige wenkbrauwen trokken ’r bij saam, dat de haartjes bijna rechtstandig boven de grijze oogjes stonden. Z’n voorhoofdsvel kreukte in straffe, zinnende rimpels.

Toen zei-ie snel-besloten:

„Klops... Königsberger Klops...”

„Met bloemkool”, knikte juffrouw Treibitz goedkeurend. Klops maakte ze heerlijk klaar — ballen als kindervuisten — en Klops was 'n verstandige keus, bij zoo’n ongewoon bezoek, om te zoenen.

„En pruimencompote”, zei oom Ludwig: ,,’k heb pruimen van twintig Pfennig 't pond gezien... Twee pond niet?”

„Kost veel suiker”, merkte zij, nog zuiniger dan hij op. „Kooksuiker”, zei hij, opstaand om z’n tuinbezigheden te beginnen: „en vier fleschjes bier...”

In *t weelderig tuintje, bij ’t plezierig klotsen van ’t water tegen de dansende boot — ’t zou bij ’t fameuze zomerweertje ’n volte op de Mügelsee worden — den heelen nacht waren ’r „Mondscheindampfer” met muziek aan boord naar Mügelwerder en Rahnsdorf gevaren — de honden hadden 'r telkens bij gekreund — in ’t lommerrijk tuintje, waar dauw aan de blaren glitterde en de rozeknoppen uit waren geloopen, dat ’t ’n lust was, keek-ie eerst bezorgd naar de door ’n paar mollen, die te leep waren om in de knippen te kruipen — opgewoelde aard-slangen. Goddank in de bloemperken waren de smeerpijpen niet geweest! Smakelijk dampend bukte-ie zich, om de verwaaide blaren te garen en ’n uit de kiezels ópschietende onkruidplant met wortel en al uit te rukken. De honden aan de kettingen voor ’t groote hok, naast de schuur, kwispelstaartten, als-ie in de buurt kwam — de vogels tsilpten — de slakken trokken de voelhoorns in bij ’t naderen van z’n stappen — ’n bij zoemde van roos naar roos, tusschen de dauw-flonkrende bloembladen neerstrijkend. Zorgvuldig, niets verwaarloozend, geen blad ongemoeid latend, doorspeurde 'tfiksche mannetje de paden, ’t mandje

144

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.