hals doorsnejen, hoe ze ’m met ’n hamer in ’t donker op hadden gewacht, hoe ze door ’n tuimelraam binnen waren geklommen of 'n brandkast geforceerd, enkel wakker! Op z’n slaapkamer was — o, verspilling! — de telephoon met doorloopende nacht-verbinding. Die en de honden en wat buitengewone veiligheidssloten met miniatuur-sleutels waren z’n toeverlaat. Hij had wel nooit geld in huis, maar dat wisten de slampampers niet. Je kon ’t moeilijk met ’n briefje op je deur meedeelen! Juffrouw Treibitz sliep in de bovenkamer naast ’m. Als-ie tegen ’t beschot klopte, werd ze wakker. Die behandelde-ie tegen den nacht met vrindelijke praatgraagheid, en ’s morgens kort-aangebonden. Soms dacht-ie ’r over ’n étage van een van z’n eigen huizen in ’t veilige Berlin.W. te gaan bewonen, maar ’t opgeven van de frissche buitenlucht, de kippen, ’t bootje, ’t luchtbad, ’t heerlijke uitzicht over de Mügelsee, was ’m niet mogelijk.
Vandaag, jarig, ’n half uur vroeger opgestaan, ontbeet-ie bij ’t glas met de anjelieren, overlei met de huishoudster hoeveel meer ’r voor ’t middageten moest worden ingeslagen, omdat Toni 'n briefkaart geschreven had, dat ze met Jetchen, d'r oudste, Klärchen met de half-blinde oogen, Frida en Mariechen, persoonlijk kwam feliciteeren, en ook duizend tegen een Erich over zou wippen. Oom’s jaardag was 'n pelgrimage voor de familie, ’n gedwongen tocht. Bleven ze weg, dan nam-ie 't kwalijk — verschenen ze, dan dee-ie opmerkelijk gastvrij.
,,Laten we soep nemen en soepvleesch met augurken en gebakken aardappelen na”, adviseerde juffrouw Treibitz — och, de tijd, dat ze „Rehrücken” met opgevulde tomaten, filet van zeetongen met kapers, „Krebsschwanzen” en sla van de beste vruchten klaar had gemaakt! —: „twee pond soepvleesch en twintig Pfennig beentjes, vier augurken...”
„Nee!”, zei oom Ludwig: „ze houen niet van soep!”
„Gebrajen lapjes met spinazie?” vroeg de huishoudster.
„Nee”, weigerde oom Ludwig: „daar hou ik weer niet van...” „Nou dan weet ik ’t niet — mot u ’t maar zeggen”, besloot de juffrouw.
„Wat kost kalfsborst?”, informeerde oom.
„Een mark-twintig...”
„Hoeveel hebben we daarvan noodig?”, vroeg hij weer, ofschoon-ie 't drommels goed wist: „we zijn, als Erich komt met z’n — met z’n — hoe komt men met maar vier dochters tegelijk! — toe maar! — met z’n achten...”
143