radelooze gezicht van George, dien avond! — den aap van rn jongen bij zich liet komen, en 'm vijftig Mark buiten de collegegelden van de universiteit in de maand beloofde. Meer was niet noodig. Meer maakte weelderig. Toni had-ie ook voor z’n rekening, met zeventig Mark. Van die vastgestelde bedragen week-ie niet af. Onder geen voorwaarden. Hij zelf kwam met de voortreffelijke juffrouw Treibitz, die ’r kookkunst glad bij varkenslapjes, soepvleesch, gehakt en de bliekjes, die meneer uit de Mügelsee ophaalde, verleerde, van een tot twee Mark per dag toe. Juffrouw Treibitz redderde zelf de wasch. Eenmaal in de week hingen meneer’s onderbroeken naast de onderlijfjes en rokken van de huishoudster in den wind te bungelen. Juffrouw Treibitz dee de wasch en Oom Ludwig hield ’t huishoudboek bij. Maandag aten ze gehakt, warm, Dinsdag gehakt, koud, Woensdag soep met soepvleesch — ft restant)e Donderdag, met ’n half pond varkensvleesch in vier schijven gesneden — de slager wist ’t — Vrijdag visch — Zaterdag haring met aardappelen — Zondag ’n extra, maar zuinig. In oom’s huishoudboek had je kolommetjes voor alles, voor brood, melk, worst, boter, schmalz, eieren (die de eigen kippen leien), groenten, zout, fruit, olie, azijn, meel, rijst, gries, suiker, honig, koffie, thee, drank (bleef blanco), licht, kolen, zeep voor de wasch, kleeren, schoenen. Pas in 'r betrekking, had juffrouw Treibitz trucjes uitgehaald, 'n pondje zout of ’n half pond suiker of ’n „Viertel" koffie te veel opgeschreven — iederen morgen lei haar briefje naast z’n bord — oom Ludwig leerde ’t ’r in 'n minimum af. Z’n huishoudboek controleerde als ’n klok. Cijfers logen niet. Met ’n „Viertel” koffie moest je ’n week rondkomen — móést je: als ze dat niet verstond was ’t uit. Nu, na jaren, liep alles ’lijk 'n welgesmeerd raderwerk. Juffrouw Treibitz dacht aan ’t testament, waarin ze tot ’r dood met ’n rentetje verzekerd was. Ze maakte geen opmerkingen, liet oom ’r boterhammen smeren — zij raakte den pot niet aan — was tevreden met ’r portie vleesch, gehakt of visch, omdat oom zelf niet meer nam, en verzorgde ’t huisje met *n toewijding en opgewektheid, als zelfs wijlen mevrouw ’t niet beter gedaan zou hebben. Ze kende z’n gewoonten, z’n maniakale regelmaat, z’n zorg om z’n lichaam gezond te houden, ’s Morgens zes uur, weer of geen weer, was-ie bij ’t ontbijt van boerenbrood met honig. Van half zeven tot half acht, tuinierde-ie, wiedde-ie onkruid, harkte-ie de paadjes, doodde-ie in ’t heete seizoen dozijnen luisjes, stak-ie de grasbanden bij. De geringste
141