'r niet los kon laten —: „nacht!... En rust uit!... Anders word je nog ziek!”
„Ik”, lachte ze: „nee, onmogelijk!”
De deur werd achter ’m gesloten. Met waslucifers lichtte-ie zich bij, maar nog voor-ie de tweede verdieping bereikt had, hoorde-ie haastige voetstappen. Toch Betty!
„Wat is dat voor nonsens!”, zei-ie stug: „ben je bang, dat ’k verdwalen zal?”
„Duczi stuurt me”, loog ze: ,,’t voorportaal moet je tweemaal omdraaien — en we wisten niet of je...”
Ze hakkelde.
„Dan zal 'k 'm tweemaal omdraaien”, zei-ie verveeld: „goeien nacht!”
„God, ben 'k je zoo te veel?”, vroeg ze met bibberende stem. „Dat beweer 'k niet!”, gromde hij: „dat heeft 'r geen bliksem mee te maken!... 'k Wou jullie den loop besparen... Dat is alles!” „Ik begrijp niet”, sprak ze fluisterend of iemand luisterde — en 't wapperend kaarslucifertje bescheen 'r vochtige oogen: „wat je tegen me heb, Erich! Je doet zoo vreeselijk onaardig...”
* „Dat verbeeld je je!”
„Zeg 't dan, als 'k je iets in den weg heb gelegd! Je praat niet met me... Je doet zoo...”
Verder kwam ze niet. ’r Wangen, ’r mond vertrokken nerveus, op snikken af.
„Christus”, viel hij grof uit: „Laurie schijnt jullie allemaal an te steken! Op die manier wordt 't ’n corvee op te loopen!” De sleutel draaide 't slot van de vestibule-deuren om — ze liepen over 't loopertje van 't Vorderhaus.
„Kom je morgen avond?”, vroeg ze timide.
„Ja”, zei-ie stug.
„Hoe laat denk je zoowat?”
„Weet 'k niet — zal je wel zien”, antwoordde-ie wreed — ze hing *m met *r opdringerigheid de keel uit.
Diep-ongelukkig, de vernedering voelend, te trotsch om te huilen waar-ie bij was, gaf ze *m nog eens de hand.
Door de ruit met de wrijfstrepen keek ze ’m na, en zette zich op de onderste tree van de trap, ’t hoofd in de handen, 't razend gesnik met 'n krampachtig persen van 'r vingers bedwingend. Ze had kennis an meer dan een, ja! — ze ging uit met den rayonchef van 't Kaufhaus — gister was ze nog met 'm in den wijnkelder van Luther & Wegner geweest —
137