vriend, die omdat-ie als grondwerker ’n betrekking aan had genomen, door den Senaat „relegiert" was geworden — of je als wetenschappelijk proletarier, zonder vermogen, zonder ondersteuning, zonder stipendium anders kon! — vertellend.
Maar hij was niet en train. Hij vertelde saai, zanikerig of-ie slaap had. Omdat 't bier op was, dronk-ie glaasjes water, die-ie zelf ging halen, en waarbij-ie lang in de keuken bleef, in de hoop, dat Duczi 'n voorwendsel zou vinden, om 'm na te komen — ze begreep 'm niet, durfde niet, zoolang Betty zat te spionneeren en Laurie op de sofa lummelde.
Onder de lamp zweetend, licht-duizelig — ’r waaide geen tochtje over de plaats nu de regen op had gehouden — probeerde Duczika 'r taak klaar te krijgen. Bij eenen gaf ze ’t op. Ze zou an Neumann 'n briefkaart schrijven, dat ze zich niet lekker voelde — gebeurde 't niet honderd keer, dat de naaisters mantels, rokken, blouses 'n paar weken later opleverden, als r roodvonk bij ze thuis was, of diphtheritis, of als de kinderen kinkhoest hadden?... — ruimde den boel wat bijeen, en gaf Erich, die *r ried 't Neumann Maandag liever zelf te gaan zeggen — de met zenuw-letters bekrabbelde kaart, om ’r in de bus te steken. Nee ze zou Dinsdag om vier uur precies de Untergrundbahn nemen. Je kon moeilijk zeggen, dat je je niet prettig voelde, en 't zelf gaan vertellen!
„Blaas dan nog even voor 't raam uit", verzocht-ie met 'n niet te bedwingen deernis in z*n stem.
„Dat 's goed", zei ze, de eerste sigaret opstekend — veel had Laurie 'r niet overgelaten.
't Werd kwart over eenen, half twee, kwart voor twee — Betty bleef advertenties lezen — Laurie snurkte op de sofa.
Toen, vol meelij met Duczi's doodswit gezichtje, stond Erich op.
„Geef me den huissleutel", praatte-ie teleurgesteld —: „dan reik 'k 'm morgen voor twaalf weer an — dan hoeven jullie geen trappen te loopen!... Ga naar bed, Duczi en sta morgen niet te vroeg op... Toe!"
„Als zij zoo moe is, zal ik wel effen", sprak Betty gewild-geeuwend: „ik heb nog geen trek in die heete slaapkamer met alle ramen dicht, te gaan liggen!
„Ik kom ’r uit", weerde Erich 'r af:... „Tk heb 't voor 'n week ook gelapt!... Nacht Duczi" — ’r hand hield-ie vast of-ie
136