„As je klaar met je gesar ben!”, zei ze heesch van woede, geen vin verroerend, om Lotte bij 't redden van ’t naaigerei bij te staan:... „as 'k dan lieg, kom 'k 'r voor uit, wind ’k 'r geen doekjes om! Maar jij!... Jij ben twee druppelen water Mizzi!... Jij knijpt de kat in ’t donker!... Met jou samen blijven, as Laurie met Lotte op reis is — dank-ie! Nog niet met geld toe!... Nee, hoor!... Kamerhuur ken 'k overal kwijt!... Dat gepest!... Dat stiekeme iemand ’t bloed uit z'n vingers zuigen!”
Kwaadaardig stond ze op, smeet de slaapkamer-deur met zoo’n geweld achter zich toe, dat de portretten van ’t rekje vielen, als dien avond van Poldi’s bezoek, maar 'n oogenblik later, bij 't schelle gepraat van Erich, die Duczika’s partij opnam — elk woord had ze achter 't paneel afgeluisterd — verscheen ze opnieuw, zich verdedigend, den leugen van den vorigen avond met nieuwe leugens excuseerend — dat 'n kind 't had kunnen snappen, dat ze ze voor den mal had gehouen — iets voor Mizzi, tjeetje!, om op perziken-bowl te trakteeren — Mizzi, die voor ’n speld doodviel — Mizzi!... Ze was bij de moeder van 'n jarige collega geweest, en met moeite om bij half een weggegaan... As ze gister niet allemaal zoo opgewonden hadden gedaan, zouen ze vanzelf om de mop van Mizzi, Mizzi! geschaterd hebben...
De kanarie floot, de naaimachine snorde, 't dopje boven de lamp dobberde wintersch-gezellig, de kapotte Zwitsersche klok tikte huiselijk, Erich dampte en Laurie, door nog 'n glas bier gekalmeerd, smookte — de paisibele rust van de vorige weken, toen ze mekaar wel geplaagd en ’r tusschen genomen hadden, maar toch bij 't bezoek van den jongen student als in ’n zonnetje hadden gezeten, was voor de haaien.
Laurie mokte, lei slap, ontzenuwd op de sofa, de mondstukjes van ’r sigaretten tegen 't behang doovend, en enkel ’r mond voor 'n stekelige opmerking openend. Lotte, wit van vermoeidheid — was dat 'n dagje geweest! — knikkebolde over *t borduurpatroon, zei al om twaalf uur goeien nacht — Betty, bang dat ze over 'r zouen smoezen, als ze ook naar bed ging, en vastbesloten Erich uit te laten — daar zou ze Duczi tenminste mee dwars zitten! — las de advertenties van ’n ouwe krant.
Uit z'n gewone doen — van de herrie met Laurie trok-ie zich geen sikkepit an! — hield Erich 't gesprek gaande, telkens 'n aanloop zoekend, van Poldi’s nieuwste methode om z'n broodje te scharrelen — hij was corrector op 'n drukkerij geworden, had om de week nachtdienst — en van 't schandaal van n anderen
135