„Ja, al schreeuw je nou!”, sprak Erich vernietigend: „al doe je nog zoo theatraal — dat lap 'k aan me zolen! Jij teekent contracten zonder eerst te informeeren wat voor 'n direkteur dat is — jij doet maar raak — Christus, val niet over elk woord! — Duczi heeft groot gelijk!... Tien tegen een is de kerel 'n verkapte bordeelhouder!”
„Wel Goddorie!”, barstte Laurie los: „hoor je dat Lot te?... Da's om uit je vel te springen!... 'n Vriend van Palou — van Palou! — 'n bordeelhouder!... 'k Zal denken, dat je niet wijzer ben!... En in elk geval raakt 't jou niet!... Ik ben de moeder, en me dochters weten wat ’k voor ze gedaan heb!”
„Gedaan? Wat heb jij gedaan?”, striemde Erich — ja, nou was-ie de ouwe, brutale rakker, die 't verdraaide z’n opinie onder stoelen en banken te steken, de vlijmscherpe, ontembare bengel, die Laurie de waarheid dorst zeggen: „gedaan?... Je ben bezig ze naar de weerlicht te helpen! Dat heb jij gedaan! En als 'k 't je niet zwart op wit bewijs, doe 'k 't, om niet te pootig in vuil water te roeren!”
„Dat mag jij zeggen!... Dat neem 'k van jou an!”, zei Laurie, den beugel van 'n tweede fleschje openwrikkend: „../k zal 't achter me ooren knoopen... 't Is goed, hoor... Maar je zal me 'n plezier doen bij zoo’n uitschot van 'n moeder niet meer op visite te komen!... As je dat maar onthoudt!... Dat 's gedorie 't toppunt!...”
„Nou, Laurie!”, suste Duczika — de twee hadden wel meer ruzie, maar zoo als vanavond...
„Laat me met rust!”, foeterde mama, purperrood om zulke beleedigingen: „as jij straks niet had zitten liegen, had 'k 't met hem niet an den stok gekregen!”
„Menschen, laten we kalm blijven”, zei Betty: „is 't niet heet genoeg! Als Duczi over die kleinigheid gejokt heeft, zal ze 'r d'r redenen voor hebben...”
„Dat mot jij zeggen!”, verweet Duczi uiterlijk-kalm: „ik heb gisteravond bij Mizzi op *t balkon geen Perziken-bowl — Per-ziken-bowl, — hahaha! — gedronken!”
Pang! Die zat. Die was raak.
Betty kreeg denzelfden kop van straks, toen Erich voor afleiding gezorgd had. Zoo driftig gebaarde ze over de tafel, dat 'r bierglas met 'n floep over 't zeil stortte en de klosjes garen, stukjes voering en scharen in de bruine saus dreven, 't Scheelde geen haar of 't was voor den blouse-stof ’n ruine geworden.
134