V.
Dien nacht leien ze allen, behalve Betty, die ’r niet dat belang bij had, klaar wakker.
Lotte was, zonder toezicht van Laurie, bij Palou, den fameuzen dansmeester — voor jaren heette-ie ’n attractie van ’t koninklijk Ballet — les gaan nemen.
Anders dacht Laurie 'r niet aan bij de dansoefeningen te spijbelen. Nog geen kwartier verzuimde ze. Palou was volkomen te vertrouwen, had nog nimmer ’n onkuisch woord of ’n oneerbaren oogopslag aan de beenen van z’n élèves verspild — daarenboven had-ie ’n man-wijf, wier minutieuze controle geen moment was te verschalken — nee, ’t was volmaakt in orde, zuiverzakelijk, opperst-platonisch — en toch zat Laurie bij iedere les in 'n hoek van den danszolder. *t Ouwe tooneelbloed liet ’r niet met rust. Ze moest 'r „bij" zijn, kende geen grooter, prikkelender genot dan de lucht van voetlicht, hersen, koulissen. Bij Palou, in den stoffigen leunstoel, werd ze professional, rakelde ze langs ’r neus weg herinneringen op, voelde ze zich met hart en ziel van ft vak, praatte ze met welwillende, neerdalende beminnelijkheid. Hij was aan 't Ballet, zij aan ’t Tooneel geweest. Je was collega, maar 'r bestond, ’r bleef ’n nauwlijks te overbruggen afgrond.
Soms gaf ze „bescheiden” wenken. Heel diskreet. En als Palou, die tooneelmoeders om z’n pink wond, maar ze innerlijkst naar den duivel wenschte, omdat de praktijk ’m meer dan ’n kwart eeuw geleerd had, dat de tooneelmama de pest voor de toekomst van ’n dochter was, dat de Variété-direkteuren gewoon geen kontrakt afsloten, als de „mama" meekwam — als Palou ’r bij zoo’n opmerking met z’n versleten, breedkakigen lach toe-knikte, 'r als kenner van de planken aanvaardde en in ’t bijzijn der „beginnelingen" respecteerde — zwom ze in tamme, gezeten eerwaardigheid, zat ze nog iets leniger, zonder stut, rechtop, en maakte aan ’t eind van de les allerhoffelijkste complimenten, waaraan zelfs vorstelijke personen met ’t onoorspronkelijk: „mijnheer de burgemeester, het was heel mooi, het heeft mij zeer verheugd!" ’n puntje hadden kunnen zuigen.
Palou, die door ’t dragen van te hooge boorden, ’n massieve puist in z’n nek had doorziekt, trouw door gade en pap bijgestaan — dat was de oorzaak waarom de les, die op Woensdag niet plaats had gehad, op den ongewonen Vrijdag in werd
110