Ze bedwong zich, om weer niet te snikken, sloeg de armen om z'n hals, praatte in één driftkoorts:
„Zul jij nooit zóó voor me zijn, Erich?... Erich!... Ik hou zoo van je... Ik hou zoo ontzettend van je!... Ik hield van je, van af 't oogenblik, dat 'k je met Frida tegenkwam!... Je ben niet meer uit m'n gedachten geweest, Erich, lieve Erich!... Nooit heb 'k van iemand gehouen — van m’n vader niet — van Laurie niet — van Lotte niet!... Jij ben de eerste, de eerste, jongen, lieve jongen, die ’k m’n mond heb gegeven! Als ’k jou niet meer heb, ben 'k alles kwijt!... ’k Had zoo’n behoefte van iemand, iemand te houen — 'k was zoo jaloersch op... op... Zeg dat je alleen van mij, enkel van mij, van geen andere vrouw, van geen anderen man houdt...”
„Alleen van jou, Duczi, Duczi!”
„Dat je nooit van 'n ander gehouen heb...!”
„Na mn vader — van niemand meer!”
„Dat je nooit, nooit meer van 'n ander zal houen!”
„Nooit!”, herhaalde-ie, den adem van 'r lippen drinkend — in dezelfde passie, dezelfde geëxalteerdheid, dezelfde eerlijke, vlammende verliefdheid.
„Zoen me dan — tot je niet meer kan”, zei ze, *m zelf met 'r kussen verstikkend.
Ze vergat de openhangende blouse, ’t gepuil van de overzij-ramen — ze vergat alles bij 'r uitbarstend, optuimlend verlangen eindelijk, na zooveel dorre, verwelkte, leege jaren, van iemand te zijn, iemand in 'r armen te houen.
Ze verzette zich niet meer, wóu zich niet meer verzetten, zocht z'n oogen, z'n voorhoofd, z'n mond, liet zich in z’n bevende armen wiegen en koesteren en naar de andere kamer dragen.
Wat-ie dee was goed. Wat 'r gebeurde moest gebeuren. Ze aanbad 'm, adoreerde 'm, lag voor ’m op de knieën, schrikte zelfs niet, toen 't klokje droog-knarsend negen tikte.
Maar verder dan de voordeur mocht-ie niet met 'r meegaan — asjeblief niet. Ze wou alleen naar huis, herhaalde ze lachend. Als-ie vanavond op visite kwam, zou iedereen 't groote, heerlijke geheim opletten...
„En waarom niet?”, drong-ie driftig $an: „hebben we om iemand te malen?”
„Om iedereen”, zei ze gelukkig-glimlachend: „later — véél later, Erich, mfn man — want dat ben je nou, niet?”
„Tot ft uur van mn dood”, zei-ie 'r nog eens pakkend.
107