Dat was ’t eenige waaraan ze op dat oogenblik houvast had, wat ze volkomen begreep — n man — ’n vreemde man — een die je 'r gèld voor gaf...
„Kom binnen, Duczika”, verzocht-ie 'r hand grijpend, omdat uit een van de overzijvensters ’t vet-logge lichaam van ’n man hing.
„Ja”, zei ze, en ze drukte z’n hand zoo stevig, met zoo’n onstuimigheid, dat de trouwring 'm pijn dee.
Binnen, voor de schrijftafel, zat ze in gedachten, telkens over den balkonrand starend.
Toen ineens vroeg ze 'm de deuren te sluiten.
,,'k Vind 't zoo akelig”, praatte ze zacht: „dat die ons kunnen zien — die vrouwen — die stumpers...”
„Ze zien ons niet”, zei-ie stellig:” „en als ze ons zien, wat dan?”
„Wat dan”, sprak ze ’m na: „wat dan?... Dat moet 't aller-allerergste zijn — als je zelf zóó radeloos-ongelukkig ben — anderen gelukkig te weten... Niet?... Wat?”
„Jij ben 'n engel”, zei-ie weer bij 'r knielend en de armen om *r middel slaand — 'r bijna transparante schoonheid, de volle hals, 't fijne kopje onder den jongenshoed, maakten *m dronken. Zoo had-ie 'r nooit gekend.
Zwijgend nam ze z’n hoofd in de handen, zwijgend keek ze 'm vreemd-afwezig in de oogen, en voor-ie ’r tegen kon houden, smakte ze met ’t gezicht op de tafel, zenuw-snikkend, hortend-schreiend, niet tot bedaren te brengen.
„God, Duczi, wat is ’r? Wat heb je? Wat is ’r? Toe, Duczika, Duczika...”
Ze antwoordde niet, bleef met 't gelaat op de tafel, kreunde of ze pijn had, lachte overspannen, en toen ze ’t glas water, dat-ie 'r bracht, met mummelslokjes dronk, beefde ze over 'r heele lichaam.
„Wat voel je dan, Duczi?”, praatte-ie nerveus-ongerust, 'r handjes in de zijne verwarmend: „wil je naar huis?... Zal ’k fn Droschke fluiten?... Wil je gaan liggen?”
Ze schudde bij alles 't hoofd — ze glimlachte weer — hij hoefde zich niet angstig te maken — de warmte had fr bevangen — ze zou beginnen met die verstikkende jas uit te trekken — had ze *t ineens ontzaggelijk benauwd gekregen — foei — foei...
Ze liet zich door ’m helpen, stak geen vinger uit om de blouse te sluiten, leunde mat-glimlachend achterover.
104