„Nee", waarschuwde-ie. Maar ze was 'r al, nam 'r hoed voor 'n overzij-buurvrouw, op een van de vele bloemenbalkonnetjes, af.
„Pas op”, zei-ie naast 'r: „dat is n rare gelegenheid! Kom binnen!”
,,'n Rare gelegenheid”, vroeg ze ongeloovig: „waarom?... 't Is toch ’n hotel?”
Ze vergistte zich niet. Drie-, viermaal las ze den naam Hotel Die T a u b e. Je las ’t in groote witte letters boven de deur, boven de ramen van de eerste, de tweede, de derde, de vierde étage. Je las 't tot aan den hoek van de drukke, woelige straat, waar geen tram door liep, waar de karren, rijtuigen en autos 'n helsch spektakel maakten, omdat r geen asfalt was.
„Waarom raar?”, herhaalde ze, twintig, dertig, veertig kamers tellend, kamers met neêre jaloezieën, kamers met al brandende lampen, kamers met openstaande balkondeuren.
„Dat is”, lei-ie aarzelend uit — kön-ie ’r zeggen, dat 't een van de meest beruchte „Absteige-quartiers” van Berlijn was, dat Poldi en hij dikwijls ’s nachts naar de zich achter de stores bewegende figuren hadden gekeken, dat in de kamers, waar de jalouzieën nog niet waren opgetrokken, de vrouwen waarschijnlijk nog sliepen, omdat 't te vroeg dag was...! —: „dat is”, ver-klaarde-ie langs 'n omweg: „zoon soort hotel, waar, waar — misschien zul je me met 'n half woord begrijpen — waar vrouwen, die — ’r brood langs de straten verdienen — met, met mannen, die ze ontmoeten, af kunnen stappen... Kom binnen, Duczi!... Ze zullen gekke dingen van je denken!”
„O”, zei ze, zonder naar 'm te luisteren. In een van de overzij-kamers, Hochparterre, kamde 'n vrouw zich 't haar. 'r Naakte armen slierden in ’t halfduister op en neer. Vlak ’r boven zat een zich voor 'n spiegeltje te schminken. En op 'n hoekbalkon, hals en armen ontbloot onder ’n keukenvoorschoot, schepte ’r een 'n luchtje voor ze 't pad opging.
„Wat interesseert je dat, Duczi”, zei-ie 'n tikje ongeduldig, omdat ze met zijn jas en zijn hoed, op 't balkon bleef kijken.
„Dat interesseert me schrikkelijk, lieve jongen! Wat vind 'k dat typisch, typisch! 'k Geloof, dat als ik hier woonde, ’k alles zou afloeren! Dus die gaan straks — 'n man zoeken?”, redeneerde ze kinderlijk, angstig-nieuwsgierig — ze zag de Friedrichstrasse. de Leipziger, de Tauentzien — 't gedwarrel van chique demi-mondaines — dacht dat 't die waren —: „wat stakkerig, hè? — wat zielig! — om 'n man waar je niét van...”
103