en in zn kijken en bijna fluisterend praten was 't „meisjeszieltje” ongerept en voldragen, dat George aan geen menschen had durven toevertrouwen —: „ik hou, hou, hóü van je!”
't Vleesch van ’r hand perste-ie aan de felle klopping van zn hart en 'n lichte zenuwtrekking groef om zn mond.
„Ik van jou”, antwoordde ze simpel, naar geen andere, dragen-der woorden zoekend.
Meer spraken ze buiten niet.
Achter 'm, lachend z’n stok in 't geschemer van ’t trappenhuis vasthoudend, en met ’t gerinkel van 't bij Neumann gebeurde geld, dat ze zoo in r zak had laten glijden, tegen ’t geflapper van 'r rokken aan, beschuifelde ze de uitgeloopen traptreden, tot ze vier-hoog de op de deur gestoken kaartjes E r i c h Schüler en Poldi Röse las.
„Is 't hier?”, vroeg ze.
„Ja”, zei-ie, net als dien avond met Pol, met ’t sleutelgat vechtend — de doos hinderde 'm, knelde plomp in den hoek — en omdat-ie toch gejaagd en nerveus 't gat wou vinden, smakte de sleutelbos op den grond.
„Wel Christus!”, zei-ie ongeduldig.
Maar voor-ie zich gebukt had, voelde-ie in ft donker twee handen om z’n hals en 'r lippen zochten de zijne, lang, hartstochtelijk, zonder adem te scheppen.
„Zoo”, zei ze hijgend: „nou ben ik jou vóór geweest, Erich — Erich, m'n lieve, lieve jongen!”
De deur bolderde tegen den binnenmuur. Hand in hand liepen ze ’t portaaltje door, hand in hand kwamen ze in de voorkamer, waar ze verschrikt-gillend, schaterend van ’t lachen ’r rokken op-wrong. Daar, op dat gewriemel, dat krijschen en over mekaar-heen buitelen der ratten, dat gejoel om 'r schoentjes, was ze niet verdacht geweest. Van ze gehoord had ze — ze gezien nog niet...
„Weg bende!”, dreigde Erich lachend, en om ze kwijt te raken, lokte-ie ze met oud brood de keuken in. De glazen deur trok-ie achter zich toe, zn hoed smeet-ie bij de doos, en toen, eindelijk, eindelijk, hielden ze mekaar in 't door de openstaande vensters aangulpende zonlicht — *t licht met z'n glansbundels en stofjes-gedamp — 't wijde, oneindige licht van den niet meer doorschaduwden hemel — jong en onstuimig omstrengeld. 'r Hoedje met de kransing van fel-roode papavers bungelde nog amper aan de pen — 'r handschoenen leien bij ’r voeten. Ze spraken niet. Ze zeien geen verliefde woorden. Ze hielden mond op mond*
98