Ze drukte z'n hand. 't Was zoo. Ze had 't zich verbeeld. Tenminste van hem. Al geloofde ze nog, dat Betty haast zoo gek met 'm was, als ze zelf. Maar dat raakte 'r niet. Dat ging 'r niet an. Dat hoefde zij 'm niet te zeggen — stel je voor! Stel je den waanzin voor, om hèm, hèm te vertellen, dat 'r nog een was, die graag zóó, hand in hand, arm tegen arm, schouder tegen schouder, met m zou willen wandelen... ’r Waren 'r mogelijk duizend, hahaha!... Lieve God, was 't leven zalig! Was 't 'n genot zoo adem te halen, zoo voet naast voet te zetten...
„Willen we den Untergrund nemen?", vroeg-ie plotseling-stilstaand.
„Hè, nee!"
„Hè, ja!"
„Waarom?"
„Om gauwer èrgens te zijn."
„Ergens?... Waar wil je dan heen?"
„Naar Poldi's ratten, hahaha!"
Daar schrikte ze bij. Daar wou ze nee op zeggen.
,,’k Heb je vijandin Betty driemaal gezoend, hahaha! En Lotte twee dozijn maal! En Laurie, hoeveel keer wel? Maar jou? Maar jou, wat?... Kunnen we 't hier doen? Heb jij daar idee in, hahaha?"
„Moet 't?", vroeg ze lachend.
,/t Moet! Anders laat 'k je hand in geen tweemaal vier en twintig uur los!"
Ze aarzelde — glimlachte — glimlachte in één verwardkinderlijke onbeholpenheid — glimlachte den glimlach van onder 't werk, van naar m luisteren als-ie doorsloeg, van aan Tm denken, zooals dien laten nacht, toen Betty op de trap 't eindje druipende kaars uit had geblazen en 'r hand in de zijne gekoortst had...
„Goed", zei ze droomerig: „maar — maar je moet 't nooit doen, waar — waar anderen bij zijn..."
„Welke anderen?", sprak-ie uitgelaten.
„Laurie, Lotte... Je begrijpt me wel..."
Den eenen naam zei ze niet.
In den Untergrund zwegen ze, praatten ze geen woord. Dicht tegen mekander aan — 't was 'n ding van hun twee — van hun twee — van geen sterveling anders — schokten ze wakker, als de tram stopte, bukten ze zich om den naam van 't station te lezen — doezelden ze weer voort tot 'r n nieuwe halte was.
Toen zei-ie: „we zijn ’r..."
96