krakeel om het goddeloos huwelijk deed als een reddende engel. Na het telegram kwam een brief, niet door haar geschreven - dat kon je aan het schrift zien - en daarin zei ze dat ze een postwissel verzonden had, want de zilverbons in de brief sluiten, dorst ze niet. 4Ik kon,’ schreef ze, ‘wel gemakkelijk telegraferen over te komen, maar ik begreep wel dat je man geen centen voor de reis zou hebben. Ik heb kennis an de sjef-electrisjijn van de mijnen, en die heb me beloofd dat hij zun best zal doen, maar hij wil eerst kennis maken. Gelijk of niet? Laat hem dus komen en er fatsoenlijk uitzien. Bij mijn ken hij slapen en eten wat de pot schaft. Laat hij mijn een brievekaart sturen wanneer hij ankomt, dan zallen wij aan het station zijn om hem de weg te wijzen, want het zijn hier einden van belang.’
Eerst de volgende morgen, na alweer een nacht van zorg - tegen de avond kwam de koorts weer vuil opzetten -leefde je in duizend vrezen, - lag er een postwissel van veertig gulden in het portaaltje, en op de rand had Toos voor alle zekerheid geschreven: Voor uw reis tien gulden, de rest voor uw schulden, maar rekent u er op dat ik leen en dat wij er zelf hart voor werken. Met achting uw dienstwillige schoonzuster Toos.’
‘Nou ga je eerst een spoorboekje aan de kiosk kopen,’ zei moeder, met een zalig gevoel van opluchting. ‘Veertig gulden. God zij geprezen. We komen er wel niet helemaal mee uit de brand, maar de huisheer en je reis...’ Gemelijk, kleintjes, plots futloos door het waken en het lange gepieker, liet de electriciën de postwissel uit zijn willoze vingers op het zeil van de keukentafel glijden. Het lag hem op de lippen, om dat wat hij vannacht in zijn stoel had zitten bedenken, uit te grommen. Hij verdraaide het, kón het niet. Als ze hem kokend soldeer op zijn knokels heten druipen, zou hij geen kik geven, - maar npu, zo’n vervloekt end van honk, en, al was het nog zo laat, niet de sleutel in het slot kunnen steken, geen slaapkamerdeur voorzichtig als een dubbele schulp openkieren, geen ‘dag vader, ik heb fijn geslapen en an je gedroomd,’ een paar blauwe oogjes, om je op te kikkeren als je je te lammenadig voelde om een poot te verzetten - nee, nooit - al lag het geld voor het grijpen in de buurt van de Limburgse mijnen, hij liet het schaap met zijn pijngezichtje geen dag alleen. Als een vrouw
87