gekust had, dat hij haast au! had moeten roepen. Dan was hij weer in de wachtkamer van het politiebureau, waar de agenten kommen koffie met zulke kluiten dik op de bodem zaten te drinken, zag hij vaders lieve gezicht in de scheerspiegel van de barbierswinkel, en nog eens en nog eens in de spiegels van de andere kant, terwijl het maatje hem met de tondeuse weerbarstige klitjes haar uittrok. Hele uren vol gebeurtenisjes leefden zo voor hem op, als de dreiging van de avondschemer sterker werd. Zijn gezichtje was nog altijd bleek en smalletjes. Soms, als hij er zo stilletjes bij zat, niet klaagde, niet over de heengegane ouders sprak, kon tante Toos hem met hartstochtelijke uitbundigheid op haar schoot nemen, hem tegen zich aankoesteren, en de liefste woordjes voor hem verzinnen. Dan probeerde ze het gedaan te krijgen, dat hij ‘moeder’ zou zeggen, maar dat lukte niet.
‘As je een reep sjokola met Ko mag gaan kopen, zeg je het dan?’ soebatte ze en haar zilverwit haar lag tegen het blonde bolletje.
‘Nee,’ zei hij stelHg, ‘want dat mag niet voor me grote zuster.’
‘Die zal het zo erg niet vinden, schat.’
‘Ik zeg tegen mijn moeder toch ook geen tante,5 redeneerde het kereltje.
‘Een keertje! Een klein keertje,’ fluisterde ze dicht bij zijn oor. ‘Ik hou zo vreselijk van je, nou je in de plaats van Gerrit gekommen ben. Doe je het, liefie?’
‘Waar is Gerrit na toe?’ vroeg Hij, zonder er ook maar een ogenblik aan te denken, — het mocht niet, en als het niet mocht, mocht het niet.
‘Gerrit is, - Gerrit is...’ praatte ze haperend-ontwijkend - als je ermee begon een kind van zes jaar, dat er met de dag schrieler uitzag, de waarheid te zeggen, kwam je van het een in het ander, ‘Gerrit is ver weg.’
‘Hoe ver?’
‘Dat weet ik niet,’ weifelde ze.
‘En hij is met vader gelijk mee van huis gegaan?’
‘Niet dezelfde weg,’ jokte ze - en ze jokte weer niet, want haar zoon kon niet weten, waar een man zonder God en gebod was.
Even zat het jongske met het achteroverleunend hoofd onder de wingerd van zilveren vrouweharen.
250