En tegen de middag stond ze op, haalde de zuigeling in de suizelende woning terug, en Ko klom op de stoel, om de krant van de vogelkooi af te halen. De sijs, van die verschrikking verlost, fladderde vrolijk van stok naar stok, en zei het door de gordijnen binnen-filterend zonnelicht gretig gedag.
56
Moeder kwam net zo min in de mijnwerkerswoning terug.
Ze nam afscheid van niemand, niet van haar kinderen, niet van haar zuster. Ze had het toen, na het binnendragen in het. verdiepinkje in Amsterdam gezegd, dat ze niet buiten haar man kon en zo krankzinnig woest als ze de weg naar het mijnemplacement opgehold was, zo rustig en zwijgend was ze hem nagegaan.
Bij kennis was ze niet meer gekomen, ’s Morgens vroeg zei de boodschap van het ziekenhuis, dat ze zacht was ingeslapen, werden de gordijnen nog eens neergelaten, vertroetelde tante Toos, die nu voor twee wezen te zorgen kreeg, het kereltje met wat hij maar wilde. Stilletjes, in zichzelf gekeerd, soms dromend zonder een woord te spreken, soms de van buiten geleerde prenteboeken hardop lezend, zat hij in de leunstoel en moest door Ko gevoerd worden, zo ellendig moeilijk als hij at.
Er gingen dagen voorbij, dat hij niet over zijn grote broer, niet over zijn grote zuster sprak, dagen, dat hij met zijn oude speelgoed bezig was, met poppeklungels babbelde en honderduit redeneerde, de kleertjes aan- en uittrok, en zo geduldig met water knoeide om de houten lichaampjes te baden, dat je hem haast vergat. Zat hij in het voortuintje bij de stronken van de gekapte rabarber, of hij lag in zijn bedje, als de ochtend- en middagploegen met dreunende stappen naar de mijn trokken of terugkeerden, dan kon hij in gespannen luistering verstarren.
Er was iets dat hij niet begreep.
Er was iets met zijn vader en moeder.
Vader was het laatst aan zijn bedje geweest, toen hij zich met het gestikte dekentje als koning Kool verkleed had, en de zon het daktuimelraam zo had laten gloeien of er brand
248