naar de bloemetjes behangsel-wand, waarop de zon lichte lovertjes spon. Beneden zat het kind voor zijn kleurige fantasietjes, voor de schoorsteen met de chocoladedampen, waarin Peerie en Meerie met wijdopen bekken en havikspo-ten de kostelijkste avonturen beleefden. Maar die zeiden geen woord in de stilte - de vreemdneuriënde stilte - de stilte, die als een doorschijnende sluier in de huiskamer, het keukentje, de dakkamers hing - de stilte, waarin je de oogleden der doden, de wimpers, de kwijnende pupillen zag bewegen - de soepel-ademende, geluidloos-deinende stilte, met een verre glimlach tussen de blauwe schaduwing van een baard, het vertrekken van lippen onder de zachte stekels van een snor - de beklemmende, hijgende stilte, die je het kloppen van je slapen, de wieging van je longen, de trage bonzing van je hart, het tasten van de gedachten deed voelen - de lieve, tere stilte, die je herinneringen, de haast niet op gelette beelden uit het verleden, deed nevelen, en tot altijd weer de om-streling der gelaten, zoals je ze gisteren, eergisteren en in andere vorm gekend had, met het schuchter-voorzichtig gebaar van je in de dadelijke buurt van een slapende te bewegen, heen dwong.
Dat was het laatste godengeschenk voor mensen op aarde — dat je elkaar door een transparante muur, vanuit een onmetelijke diepte kon horen en zien. Dat bleef de eerste dagen en nachten, het grote, bijna niet te overkomen verdriet, en vertroebelde dan zo geleidelijk of de sluier met de stugheid van het weer op groeiend leven, in wijdere, zwaardere plooien viel.
Soms, in later jaren, kwam dan een gelaat nog eens in een kamer, in het donker, of midden tussen het groen in, het blijmoedigst licht opbeven, of het maar heel even mocht, of de ruige werkelijkheid het niet verdroeg, en de levenden keken dan even met vochtige ogen en glimlachten of ze een vreugde ondervonden.
‘Zal ik zijn zoon?’ zei Ko, ‘het is beneden zo leeg...’
De vrouw met de zilveren haarslieren knikte.
Toen droeg hij het kereltje met de omzwachtelde voet de dakkamer in, zette hem naast haar op het bed, en ze keek met zwemmende ogen naar de scheefhangende groene huisjes, de bolgekuifde boompjes, de schoorsteen met de cho-coladestriemen, de hond met de buideltepels.
247