‘Je hengst zo zwaar op me, Ko,’ klaagde het kereltje. ‘Ik hou je niet, hoor, verdorie wat ben jij een vracht.*
‘Dat komt...’ begon Kobus, maar zijn stem wrokte vast, en om zich een houding te geven, brak hij met vernielende beweging een doosje sigaretten open, streek een lucifer af en zoog zo wild, dat hij zich vershkte en met zijn zakdoek de tranen, die over zijn wangen stotterden, moest drogen. ‘Waarom rook je die stinkende dingen?’ praatte het mannetje, de slierende rookdampen boven een gekronkelde schoorsteen soppend, roetige krinkels, zo angstig lang, dat het papier er geen breedte voor had. ‘Vader verslikt zich nooit as hij zijn pijp opsteekt. Ken jij kringen door je neus blazen, net as de koopman, die de boel in Amsterdam heb gekocht?’ ‘Nee vent,’ zei Ko, in een hoestbui. ‘Maar ik zal het morgen proberen.’
‘Heb je vader gezien?’
‘Nee,’ klonk het moeilijk.
‘Ik vind het niks, niks aardig van hem, zolang weg te blijven. As ze hem maar niet houwen as toen...’
‘As wanneer?’
‘As toen moeder hem op het politiebureau most heden. Kijk es hoe mijn schoorsteen an alle kanten rookt. Dat doet mijn wind - en nou kommen Peerie en Meerie met d’r kinderen van het dak en die denken - de stommerds, dat het chocolademelk is, hèhèhè! - en die willen ervan snoepen, en hun buiken vullen. Dan mot je eerst vragen, Peerie, of je mag. Jij vreet overal van, van alles wat je ziet leggen, tot je er ziek van wordt en de dokter mot kommen om je lijf open te snij jen. Dan valt alles wat je steelt eruit, en grabbelen de jongens op straat om het op te rapen. Nou teken ik nog de hond van de overzij met al de lellen an zijn hangbuik. Kijk es, Ko, wat een pens!’
‘Direkt,’ zei de jonge mijnwerker. ‘Ik mot naar moeder.’ Boven, in haar oude slaapkamer onder het dak, nu het be-nedenslapen niet meer hoefde, lag tante Toos voor zich uit te staren. Ze had die morgen op willen staan, om haar oudste jongen de laatste eer te bewijzen, had van vermoeidheid niet gekund. Nu vroeg ze niets, zei ze niets, huilde ze niet. Ze nam enkel de ruwe hand van haar zoon in zijn zondagse kleren, en terwijl hij een stoel bij haar bed schoof, bleven ze zwijgend, allebei met stomheid geslagen, en keken
246