haar te halen, geen woord. Ze lag als een zoutzak zo zwaar in de leunstoel, de armen slap langs zich heen, niet bewegend, niet verzittend, niet opkijkend, toen buurvrouw met lange graaivingers de la van haar linnenkast doorwoelde, omdat ze iets voor Magdaleentje, die in haar armen sliep en een fopspeen belurkte nodig had. Maar ook buurvrouw, door Kobus in het portaaltje gewaarschuwd, zei geen woord van beklag, maakte geen enkele toespeling - ze smeet alleen alles door elkaar, of ze in een vuilnisbak bezig was met het sorteren van sintels en afgekloven beenderen. Kobus zette koffie. Waar tante anders minstens een kwartier over deed, om het hete water door het zakje met de gemalen koffie langzaam bij te gieten, was hij in zijn afwezigheid en ongeduld, binnen vijf minuten klaar. En omdat de koffie er zo dunnetjes en betrokken uitzag, kreeg Koertje voor het eerst van zijn leven een heuse kom, met net zoveel melk als de anderen.
‘Zo, grote kerel,’ babbelde Kobus, het blonde kinderhaar strelend, ‘dat zal je opkikkeren. Ken je niks zeggen? Anders zit je toch niet met je mond vol tanden.’
Het kind keek naar de neergelaten, zontroebele gordijnen, begon het ineens uit te snikken.
‘Wat zullen we nou hebben,’ zei Kobus verwonderd. ‘Heb iemand je wat wijsgemaakt? Wat heb je nou?’
‘Niks,’ herhaalde het kind voor de derde maal.
‘Is het, omdat we niet bij moeder mochten kommen?’
‘Ik wil na me grote broer,’ snikte hij.
‘Die is er niet,’ praatte Kobus, hem als een heel klein kindje in zijn armen nemend.
‘Waar is hij dan?’
‘Nergens,’ zei de mijnwerker bot, en om hem af te leiden, nam hij hem mee naar het hok, waar de geit op haar voer wachtte.
55
Nummer 743 van de nachtploeg, die kort voor het wanhopig ongeluk gebeurde, door de machinisten en bankwerkers met ook droomogen was bekeken, omdat hij ze beneden, diep onder de grond, de stem van het radiozendstation in Soester-
244