broer en zijn oom te herkennen, zo min had hij de moed het hulpeloos ventje met de starende droompupillen, dat allervreselijkste, dat gruwelijk onherstelbare, te zeggen.
Zo, gebeurde het, dat terwijl buurvrouw die nacht Magda-leentje bij zich verzorgde en geen uur sliep, omdat de zuigeling de fles niet bliefde, Kobus met zijn moeder bleef rondspoken, en een paar maal op zijn blote voeten heen en weer liep, omdat de jongen, die nooit wakker kwam, zo lastig deed, dan weer het licht op wilde, dan weer om water drensde, dan weer naar gedroomd had - of hij de dingen, die voor hem verzwegen werden, onder de broeiende dakspinten aanvoelde.
De volgende dag ging hij met tante Toos, die er als een oude vrouw bijliep, en zich ook moeite gaf het jongetje niets te laten merken, en met Kobus, die hem op zijn stevige arm droeg, naar het ziekenhuis. Maar ze werden niet bij moeder toegelaten, nog niet. Er was geen denken aan, dat de jonge vrouw onder die omstandigheden bezoek mocht ontvangen. Op de terugwandeling deed het kereltje onrustig, wantrouwig. Met zijn arm om de nek van de jonge mijnwerker, hing hij voor zich uit te dromen.
Zonder iets te vragen, had hij bij de gesprekken in het ziekenhuis geluisterd. En nu hij weer door het kostelijk zonnetje heen werd gedragen, het zaligst-denkbare zitje, om aan één stuk, zonder een sekonde te verliezen, over alles wat zijn kinderverbeelding trof, door te slaan, zei hij niks, bewoog hij niet, zat hij als een ziek vogeltje met de kop in de veren.
Op weg naar het ziekenhuis was hij een rumoerig, zenuw-druk kereltje geweest, dat ze hadden laten gaan, al klonk het schelle, haast rammelend geluid allerhinderlijkst in de oren van tante en neef - op de weg naar het huisje toe, voelden zij zich onwennig bij het zwijgen van het kind.
‘Wat is er nou?’ vroeg Kobus eindelijk. ‘Wat heb je, mannetje?’
‘Niks!’
‘En je ben zo stil.’
‘Niks!’ zei het jongske nog eens, maar er wrokten dikke waterlanders in zijn ogen.
Thuis sprak tante Toos, die eens zo wit leek geworden, omdat ze zich niet de moeite had gegeven een kam door haar
245