koffie of stinkende jenever. Heb jij wel es jenever mee in het gat genomen. Ko! Hoor je niet dat ik met je praat? Wat voer jij toch uit. Jij laat mijn maar Hessen.’
‘Wil je op me schoot zitten?’ vroeg Kobus zonderling-vertederd.
‘Vertel je dan een verhaaltje?’
‘As je je boterhammen helemaal op eet.’
Met kloppende slapen en kramp in het achterhoofd begon de jonge mijnwerker het eerste het beste wat hem inviel, - zelf de woorden niet horend, telkens ophoudend, niet wetend wat hij zei, waar hij was. Soms hield hij de ogen gesloten, zat hij voor zich uit te duizelen, geknauwd door de herinnering aan de schemering in de loods, waar van onder een lap twee paar schoenen met bespijkerde zolen, of ze zo waren neergesmeten, of ze met de neuzen omhoog in evenwicht werden gehouden, hadden gepuild.
Moeder had gekeken. Hij niet. Hij dorst niet. Hij was te laf geweest, om zich te bukken, zich te overtuigen.
Maar nu achter de neergelaten gordijnen, bij het stotend ge-adem van de bewusteloosronkende vrouw, bij de knarsend-luidruchtige stilte in het huisje, het getjilp der vogels en het ravottend gebabbel der buurtkinderen, zag hij telkens weer - als in een obsessie door zijn vermoeienis heen, het geglim-mer van de versleten spijkers onder de hakken en het hoefje aan de rechtervoet van de niet meer bewegende broer, dat als een bleek maantje bij het lantaarnlicht in de loodsscha-duwen gewiegeld had. Gisteravond waren het nog verwoede vijanden geweest, hadden ze met op geheven vuisten over elkaar gestaan, was de ruzie aangekomen om de na-toort-sing der ondergaande zon - nu waren ze samen - haast in eikaars armen - tegen elkanders lichaamswarmte aan - en de laatste klanken, die ze hadden gehoord, waren van elkaar geweest...
‘Verdorie, Ko, dat is geen verhaal - jij houdt telkens je mond. Is dat een sprokie? Snert hoor!’
‘Waar was ik gebleven?’ praatte de grote neef suffig - het lag hem op zijn tong om het uit te schreeuwen, dat hij niet kon, dat de man, die het jongenslijfje zo dikwijls en met zo’n hartstocht tegen zich aan had gekoesterd, nooit meer in de blauwe kinderogen zou kijken - maar zo min als hij een slip van de beschuttende lap had durven optillen om zijn
242