kind met zijn gebabbel en fantasterij in wilde houden, liep hij het keukentje in, en griende, zich in het vlees knijpend, om niet hardop te jammeren. De stilte in de kleine woning, met enkel die drukke, ratelende kinderstem, was niet te harden. Je werd er dol bij.
‘Wat voer je uit, Ko? Kóóóó! Kóóóó! Hoor je niet?’
‘Ik kom dalijk. Ik warm je melk,’ klonk de schorre stem in de keuken.
Dan, lichtschuw, de ogen van het kereltje mijdend, sneed hij de boterhammen, in dobbelsteentjes, zette het glas melk bij het bord, en ging schuin tegenover het kind zitten.
‘Eet jij niet, Ko?’
‘Ik heb al gegeten.’
‘Dat jok je.’
‘Ik heb geen honger.’
‘Dan mot je niet zeggen, dat je al gegeten heb. Hoe laat kommen ze van Amsterdan terug.’
‘Dat weet ik niet.’
‘Jij weet vanavond niks, omdat je niks wil weten. Mag ik opblijven? Nou dan, Ko!’
‘Nee jongen, want het wordt heel, heel laat.’
‘En hoe kommen ze dan binnen, as tante Toos in d’r bed leit en jij met Blauwbaard onder de grond zit?’
‘Ik zal wel opendoen. Ik ga vannacht niet met de ploeg mee.’ ‘Neem jij Feierschicht?’ vroeg het rappe mannetje, dat de woorden al van buiten kende.
‘Ik ga nooit meer. Ik verdom het!’ viel Ko plotseling ruw uit. ‘Ik heb er me bekomst van. Ik zou bang zijn ze tegen te kommen!’
‘Wie? Wie?’ vroeg het kind, er niets van snappend. ‘Voor wie ben jij bang?’
‘Voor niemand!’ zei Kobus zachter, maar met een woest-nors gezicht en zijn vuisten balden of hij met iemand moest bakkeleien.
‘Ik zou best meewillen,’ babbelde het ventje, zijn eerste hap met veel suiker bekieskauwend.Vader heb gezeid dat ik later ook... Heb jij Snips al gezien? Die ken nog niet over de tafel kijken en heb een baard nog langer as Gerrit. Dat is zo’n smakker. Die haalt in het stikkedonker allemaal streken uit. Die trekt de kerels stiekem an d’r haren as ze een oogie dicht willen doen en die kijkt wat er in de blikken zit,
241