‘Met vader?’
‘Ja.’
‘Waar na toe?’
‘Na - na Amsterdam,’ loog hij zo vreemd hees pratend, en zo zachtjes voor de eigen moeder, die in haar slaap kreunde, of een ander, een indringer, een die er niks mee nodig had, naast hem stond te luistervinken.
‘Na Amsterdam?’ herhaalde de jongen, even op zijn beurt oud mannetje. ‘Dat is dan voor het vuile zaakie van die smeerpijp van een aannemer, die vader een elektrieke verklikker heb laten anleggen. Ik zou niet graag willen krijgen wat hij zal krijgen, hè? Most moeder daarvoor ineens d’r schoenen antrekken? En hadden ze niet eens tijd om goeien-dag te zeggen? Het is mooi hoor! Dat most ik es doen! Me niet eens na benejen dragen, om me hier te laten eten. Had dat zo’n haast? De floddermadam van hiernaast heb me uit me bed wezen halen. D’r korsetbaleinen steken d’r ribbe-kast door. Ik zei tegen haar...’ - en nu fantaseerde hij er dapper op los - ‘dat is me ook knappies stuk, daar mag je wel es naald en draad bij nemen, want je priemt ermee in me ogen, maar zij gaf me een bek van heb ik jou daar. Bemoei je met je eigen bemoeisels, zei ze. Ik zal zoveel stuk-kende baleienen an me boddie hebben as ik zelf lust. Toen zei ik: het gaat mijn ook geen bliksem an — ik draag geen korset, maar het is een smerige inkijk voor je buren. Toen gaf ze geen asem meer. Enne toen heb ze de speen van me zuster in de turfmolm van d’r poes laten vallen, enne zo maar an d’r schort van een paar weken oud afgekudderd, enne toen zei ik Magdaleentje: spuug uit, d’r zit akedeba an, maar dat kind is zo stom, die likt an alles, krom en scheef. Toen heb ik aarpels met een zwammetje en blomkool van haar gehad, maar ze zei het is nog te heet, anders brand je je tong net zo met vel en al af, as je voet, en toen heb ze net zolang over me bord geblazen, tot er geen damp meer afkwam, enne toen lustte ik het niet meer. Ik lust niet met asem van anderen - enne toen heb ik enkel het zwammetje opgegeten enne de aarpels en de blomkool onder tafel laten vallen. Dat krijgen zij morgen op d’r brood. Zit Blauwbaard nog altijd in de kerk? Hoor je niet dat ik met je spreek, Ko?’ ‘Ach lieve jongen, hou effen je mond. Je slaat zo door en me kop barst!’ zei de mijnwerker, en omdat hij zich voor het
240