met een broodmes overweg kon, jaapte hij zo’n komieke boterham, dat de ene kant nog te dik voor Reus Goliath en de andere te dun voor Kleinduimpje moest wezen.
‘Waarom mot ik nóu al?’ vroeg het ventje, er niet in gelovend - buiten speelden de kleinste ukkepukken, en de mid-dagploeg - de geluiden van het mijnwerkersdorp begon hij best te kennen - was nog niet zo lang geleden over de gruisweg getrokken, ‘jij kletst hoor! Kijk es hoe de zon lekker schijnt. Hüü! Hüu! Jij neemt mijn er niet tussen.’
Omdat hij dicht bij het raam zat, trok hij aan het koord van het neergelaten gordijn. De volle dag gutste binnen en de mussen gingen nog zo stoeiend te keer, of ze er in de verste uren niet aan dachten onder de dakpannen te kruipen. Nou, en als dié het verdraaiden...
‘Nee, vent,’ zei Ko met iets tastend-onderworpens in zijn stem. ‘Het gordijn moet neerblijven.’
En het kind met stoel en al opnemend, verzette hij hem naar de achterzij van de tafel.
‘Waarom?’
‘Daarom,’ ontweek de grote neef. En zijn zwarte, eeltige handen met de blauwe littekens van de steenkool — ‘die Küsse vom Gebirge’ - doorjaapten opnieuw het onder de vingerdruk verklittende brood.
‘Daarom is geen rejen. As je van de trappen keilt, dan ben je gauw benejen,’ zei het kereltje, dat zich niet voor de mal het houden, en nu fijntjes, in de bescherming van dè overbekende kamervoorwerpen op dreef begon te komen. ‘Ik ga nog lang niet. Jij mag niet eens brood snij jen. Jij mag niet an het brood kommen. As jouw moeder hoofdpijn heb, mot je op mijn moeder wachten.’
‘Jouw moeder heb me gezeid,’ praatte Ko door een nevel heen - het beeld van de jonge vrouw, die in haar wanhoop op het mijnemplacement zo met haar hoofd tegen een rail was geslagen, dat ze haar naar het ziekenhuis hadden moeten vervoeren - dat doodwitte gezicht, met de wijdopen gur-gelende mond en de wond bij de slaap het hem niet los. ‘Jouw lieve moeder heb gezeid, dat ik twee boterhammen voor jou most snij jen — met bruine suiker erop — en as je die op heb, zallen we verder zien.’
‘Is ze uit?’
‘Ja.’
239